Irak-debat Tweede Kamer 4 april 2007

Handelingen 2006-2007, nr. 57, Tweede Kamer, pag. 3212-3230 en pag. 3231-3263



Aan de orde is het debat over het kabinetsstandpunt

inzake Irak.

De voorzitter: Ik heet de bewindslieden van harte

welkom en geef als eerste het woord aan de heer

Pechtold van D66. De spreektijd is 10 minuten per fractie.


De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Ik dank de bewindslieden

voor hun komst naar de Kamer, want opnieuw

doet de Kamer een poging om de deksel van de doofpot

Irak op te lichten. Ik kan u verzekeren dat wij hier over

een poosje weer staan, zolang zorgvuldig parlementair

onderzoek uitblijft.

Wij zullen wederom reageren op uitgelekte memo’s en

klokkenluiders waardoor de gang van zaken steeds

pijnlijker en verdachter wordt. Bush en Blair hadden hun

redenen om Irak binnen te vallen en daar is in beide

landen onderzoek naar gedaan. Het is deze regeringen te

prijzen dat zij daaraan hebben meegewerkt. Zo doet men

dat in een democratie, maar blijkbaar niet in de onze. Die

loopt onder leiding van de premier met dank aan de

PvdA een forse deuk op, een deuk in de relatie tussen de

grondwettelijke verhouding tussen parlement en

regering, een deuk in ons internationaal aanzien en ons

gezag binnen Europa, een deuk in het draagvlak en het

vertrouwen van de bevolking in regering en politiek. Dit

wordt geen debat op hoofdlijnen, wel over details, hele

en halve waarheden, suggesties en vermoedens. De

Kamer tast in het duister totdat de regering het licht aan

doet.

Op 19 augustus 2002 krijgt de minister van Buitenlandse

Zaken De Hoop Scheffer een memo met daarin de

verkenning van de juridische basis voor een oorlog. Deze

memo spreekt zelfs over een reële dreiging. Op diezelfde

dag beantwoordt diezelfde minister Kamervragen en

merkt daarin op dat een oorlog hypothetisch is. Hoe kan

dat? Wanneer wilden de Verenigde Staten weten of

Nederland de oorlog militair zou steunen? Volgens de

toenmalige fractievoorzitter van het CDA Verhagen was

dit totaal niet aan de orde gezien zijn opmerkingen in

maart 2003 in het debat over de steun aan de oorlog in

Irak. Ik citeer: ’’Militaire verzoeken zullen wij op hun

eigen merites beoordelen en ik heb gesteld dat deze op

dit moment niet aan de orde zijn, omdat ons doodsimpel

niets is gevraagd.’’ Even later vervolgt hij: ’’Ook minister

Kamp heeft aangegeven dat militaire steun überhaupt

niet aan de orde is, aangezien niemand ons een vraag

heeft gesteld.’’ Als Verhagen vertrouwelijke informatie

heeft gekregen in het voorjaar van 2003 waarover hij niet

kon spreken, zou hij in een Kamerdebat toch niet het

absolute tegendeel daarvan beweren? Is dat zo, zo vraag

ik de minister?

Wij weten inmiddels echter dat er een zeer omvangrijk

verzoek om militaire steun lag, en detail: precisiewapens,

een gemechaniseerd bataljon, mijnenvegers. Deze

werden toch niet zonder personeel gevraagd? Een

bondgenoot vraagt niet om zaken waarvan niet van te

voren gecontroleerd is of er een bereidheid is om ze ook

te geven. Zeker de Amerikanen willen geen blauwtje

lopen. Mijn vraag is dus: waarom dachten de Amerikanen

dat het wel goed zat?

De legitimatie van de oorlog moet in 2002 en 2003 nog

liggen in de massavernietigingswapens. In de memo van

Eurlings

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3212

19 augustus 2002 schrijven ambtenaren aan de minister

van Buitenlandse Zaken: ’’Militaire actie, gericht op

regime change, ligt volkenrechtelijk veel moeilijker. Het

verdient dan ook aanbeveling dat Nederland uit blijft

gaan van de noodzaak van de ontmanteling van de

Irakese massavernietigingswapens.’’ Het lijdt weinig

twijfel dat Irak beschikt over massavernietigingswapens,

zo zei De Hoop Scheffer in 2002. Tijdens het Irak-debat in

maart 2003 zegt de premier: ’’De essentie is echter de

ontwapening van een agressor die massavernietigingswapens

in zijn bezit heeft.’’ Maar dat verandert. Bij de

regeringsverklaring afgelopen maart zei de premier:

’’Altijd is de positie geweest: de bewijslast ligt bij

Saddam Hoessein in het kader van het niet opvolgen van

de VN-resoluties.’’ Waarom die omslag? Welke redenering

moet ik nu volgen?

Het verhaal van de massavernietigingswapens brokkelt

af. De Nederlandse MIVD, blijkt nu, plaatste grote

vraagtekens bij de claim van de VS dat Irak een grote

bedreiging was. De MIVD had twijfels over de drie

kwartier die Saddam nodig zou hebben om tot een

aanval over te gaan. En ook Luxemburg tijdens een

bijeenkomst in Rome, de Nederlandse minister van

Defensie Korthals na een briefing in Polen, de Nederlandse

NAVO-ambassadeur, de VN-wapeninspecteur en

inlichtingenliaison Scott Ritter, Jan Rozing in zijn

onderzoek naar biologische wapens. Zij plaatsten en

plaatsen allemaal kanttekeningen. De regering heeft de

Kamer het brede perspectief onthouden op de claim van

Amerika dat er een directe dreiging van massavernietigingswapens

bestond. Kunnen de bewindslieden

hierop ingaan?

Ook het verhaal van de resoluties brokkelt af. Er is

maar een orgaan gemachtigd om te beoordelen dat een

VN-resolutie is overtreden en dat is de opsteller van de

resolutie, de VN Veiligheidsraad.

De heer Van Dam (PvdA): Dit zijn heel veel bekende

vragen. Dit geldt ook voor de vraag over de opstelling

van de MIVD. Die vragen zijn hier in de afgelopen jaren

veelvuldig gesteld. De heer Pechtold was toen minister.

Ik neem aan dat hij die vragen destijds ook aan zijn

collega’s heeft gesteld. Is dat zo?

De heer Pechtold (D66): Voor zover ik daarover mag

spreken, nee.

De heer Van Dam (PvdA): Als de heer Pechtold hier zo

zwaar aan tilt, waarom heeft hij die vragen dan niet

gesteld toen hij veel dichter bij het vuur zat en al die

vragen direct aan zijn collega’s kon stellen, ook nog eens

in de ministerraad waar hierover openlijk had kunnen

worden gesproken?

De heer Pechtold (D66): Zoals de heer Van Dam weet,

hebben mijn en zijn fractie in die tijd heel veel vragen

gesteld. Ik wil een wedervraag aan hem stellen: heeft hij

de antwoorden?

De heer Van Dam (PvdA): Dit is een handig trucje om

onder mijn vraag uit te komen, maar ik trap er niet in. De

heer Pechtold zat destijds in het kabinet, een kabinet dat

steeds zei: wij zullen de vragen van de Kamer niet

beantwoorden. Hij heeft die lijn steeds gesteund en

geaccepteerd en hij heeft kennelijk nog niet eens aan zijn

collega-ministers gevraagd wat er waar was van alle

berichtgeving in de kranten en hoe het precies verlopen

was. Nu trekt hij wel een grote broek aan. Dat siert hem

niet.

De heer Pechtold (D66): Ik kan ook antwoorden met de

constatering: handig trucje. Ik vraag op dit moment niet

naar een antwoord op de vragen die in het verleden al

zijn beantwoord. Ik vraag naar informatie die in de

afgelopen weken naar voren is gekomen. De wetenschap

over de oorlog in Irak is een glijdende schaal vanaf het

moment dat wij de inzet steunden tot op de dag van

vandaag. Tot op de dag van vandaag – en dat is ver na

mijn aftreden uit het kabinet – komen er steeds pijnlijker

zaken naar boven – met name voor de Partij van de

Arbeid – waarop ik een antwoord wil. Het verschil tussen

de heer Van Dam en mij is dat hij dit antwoord niet wil

hebben.

De heer Van Dam (PvdA): Nog een keer. De informatie

over de opstelling van de MIVD was niet nieuw. Die is al

bekend sinds er in 2004 in NRC Handelsblad over werd

geschreven. Het kabinet heeft toen steeds gezegd dat het

de vragen van de Kamer daarover niet wenste te

beantwoorden. Het kabinet wilde ook geen onderzoek en

hield vast aan de positie die het in 2002-2003 had

ingenomen. De heer Pechtold zat toen in het kabinet en

steunde consequent die hele lijn van het kabinet en dus

ook de opstelling van het kabinet ten aanzien van de

oorlog in Irak.

De heer Pechtold (D66): Zeker, ik steunde de lijn toen

bekend was wat bekend was. Was de heer Van Dam

bekend met de twijfels toen minister Korthals van

Defensie terugkwam uit Polen? Was de heer Van Dam

bekend met de lunch in Rome waar Luxemburg andere

landen uitnodigde om te laten zien dat er meer twijfels

waren? Nee, dat was hij niet en ik was dat ook niet. Op

dit moment heb ik daar wel weet van en ik wil van deze

regering weten waarom en hij wil dat niet.

Ook de heer Hans Blix, de VN-wapeninspecteur, zei dat

het nog te vroeg was om te stellen dat Saddam niet

meewerkte. Last but not least noemde ook de heer Kofi

Annan de oorlog illegaal.

Nederland heeft dit allemaal geïnterpreteerd zoals het

hem goed leek. In een uitgelekte telex van de Nederlandse

VN-ambassadeur worden vier scenario’s

doorgenomen voor het geval een tweede resolutie het

niet haalt. Die vier scenario’s gaan allemaal uit van

dezelfde conclusie: Nederland steunt de oorlog, resolutie

of niet, de oorlog is legitiem. Mijn vraag is of er

überhaupt nog een scenario was waarin Nederland de

oorlog niet zou steunen.

Nederland maakte bij het steunen van de oorlog in

Irak de aantekening dat het niet om militaire steun ging.

De onderverdeling in politieke en militaire steun is bij

geen van onze bondgenoten een bekend concept. De

vraag is of het waar was. Op 22 maart 2003 stond de

Nederlandse luitenant-kolonel Blom prominent op het

podium met de Amerikaanse generaal Tommy Franks.

Wie had hem daarvoor uitgenodigd en waarom? De

regering doet dit later af als een inschattingsfout van

Nederlandse kant. Ik vraag de bewindslieden vandaag

waarom de Amerikanen aan de Nederlanders hebben

gevraagd om erbij te zijn.

De lijst met vragen is inmiddels langer. Klopt het dat in

oktober en november 2002 Nederlandse F-16’s hebben

Pechtold

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3213

deelgenomen aan de verkenningsvluchten boven Irak?

Klopt het dat een Nederlandse militair is gevraagd om

informatie over noodlandingen van F-16-piloten van zijn

website te halen? Letterlijk wordt in een Deens

inlichtingenrapport gesproken van ’’attached NL-forces’’

aan een Deense operatie in Irak. Hoe verklaart u dat? Een

Britse bron verklaart dat Nederlandse commando’s in

maart 2003 betrokken zijn geweest bij de opening van

het tweede front in het noorden van Irak. Kunt u hierop

reageren? Klopt het dat het Nederlandse fregat ’’Van

Nes’’ Amerikaanse marineschepen onderweg naar Irak in

de Perzische Golf escorteerde? En nog maar eens de

uitspraak van Van der Knaap, staande op een Walrus op

21 november 2002: hij zegt toch duidelijk dat het om Irak

gaat, tot twee keer toe! Waarom is deze operatie nu

opeens geheim, terwijl er toen journalisten aan boord

werden gevraagd? De regering stelt dat er geen

eenheden betrokken zijn, maar mijn vraag is, eenheid of

niet: zijn militairen, onder welke vlag dan ook, betrokken

geweest bij de voorbereidingen van de oorlog met Irak?

D66 vraagt hier en vandaag niet om gevoelige

intelligence met ons te delen. Wij vragen naar de echte

reden om de oorlog tegen Irak te steunen. Er moet een

parlementair onderzoek komen. Rond Irak heerst een

permanente crisissfeer. De regering wil hier toch niet elke

maand staan om te reageren op hele en halve waarheden?

Alleen al daarom moet er een parlementair

onderzoek komen. De heer Wijffels zei op deze plek dat

er naar zijn weten geen afspraken waren over het

blokkeren van een onderzoek, maar die blijken toch te

bestaan. Volgens Jan Pronk is dit een smet op het

kabinet; onbegrijpelijk volgens Van Agt; onbestaanbaar,

want beschadigend voor Defensie, volgens oudbevelhebber

Couzy.

Minister-president, in de Eerste Kamer begon u

gisteren te glijden. Stop deze vertoning, stop deze farce.

Geef Nederland het onderzoek dat nodig is om vooruit te

kijken. Toon uw leiderschap.

©

De heer Van Baalen (VVD): Voorzitter. Deze kwestie

draait om vertrouwen en vertrouwelijkheid. De vraag is

of mijn fractie vertrouwen heeft en vertrouwen had in

deze bewindslieden en hun voorgangers ten aanzien van

de afwegingen die zijn gemaakt ten behoeve van

politieke steun aan de Amerikaanse invasie in Irak. Die

vraag beantwoordt mijn fractie met een volmondig ’’ja’’.

En de Kamer is adequaat geïnformeerd, keer op keer. Het

is interessant om te zien dat de brief die nu aan de

Kamer is gestuurd, vanwege de eenheid van het

kabinetsbeleid mede is geschreven door de bewindslieden

van PvdA-huize. Ik ga er dan ook van uit dat de

PvdA de visie van het kabinet deelt dat de Kamer

adequaat is geïnformeerd.

Daarnaast gaat het om vertrouwelijkheid. In het

internationale verkeer wordt, zeker in kwesties van

oorlog en vrede, gesondeerd; er worden voorstellen

gedaan, formeel en informeel. Het gaat de VVD-fractie

erom wat de regering uiteindelijk doet, tot welke

conclusie zij komt. Dat was het verlenen van politieke

steun aan de Amerikaanse invasie in Irak op basis van

resolutie 1441 en voorgaande resoluties. Die zijn door

Saddam Hoessein gedurende twaalf jaar allemaal

geschonden. Als Saddam Hoessein de wapeninspecteurs

had toegelaten, hetgeen in deze laatste resolutie werd

gevraagd, waren de later ontstane onduidelijkheden

voorkomen, ook rond de zogenaamde ’’45-minutenkwestie’’

en andere zaken. Saddam Hoessein heeft dat

niet willen doen en de vraag is of je deze dictator, met

zijn reputatie, op zijn bruine ogen had moeten geloven.

Nee dus.

De VVD steunt nog steeds voluit de politieke lijn die is

gekozen. Nogmaals, de brief van het kabinet is duidelijk.

Wij gaan geen oppositie voeren om het oppositie voeren.

Wij gaan het het kabinet niet moeilijk maken omdat

zoiets aardig is voor onder andere fracties als die van de

SP. Wij laten dat rustig aan de SP over. De VVD houdt

het vertrouwen en steunt de rol van vertrouwelijkheid

van het kabinet.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het valt mij op dat u

spreekt over vertrouwen, alsof u weet heeft van moties

van wantrouwen; dan zou ik daarvan ook graag op de

hoogte gebracht willen worden. Volgens mij is de

vertrouwenskwestie helemaal niet aan de orde in dit

debat.

In reactie op de informatie van Reporter, die u ook van

tevoren hebt ingezien, hebt u gezegd dat er een verzoek

is gedaan om mee te vechten; zo mag dat verzoek

worden gekwalificeerd. Vindt u dat nog steeds?

De heer Van Baalen (VVD): De memo die ik heb gezien

behelsde een aantal politieke verzoeken om steun. Verder

was er sprake van de inzet van militaire middelen. Ik heb

dat beschouwd als een sondering naar de eventuele

bereidheid van Nederland om een militaire bijdrage te

leveren. Dit doet niets af aan mijn conclusie met

betrekking tot vertrouwen. Dat aspect is wel degelijk aan

de orde: het gaat erom of wij er vertrouwen in hebben

dat de bewindslieden steeds goede afwegingen hebben

gemaakt, ook met betrekking tot de vraag in hoeverre de

Kamer kon worden geïnformeerd. Over buitenlandse

inlichtingen kun je de Kamer niet zomaar in het openbaar

informeren. Dat vertrouwen had de VVD-fractie en dat

hebben wij nog steeds.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): U geeft hiermee een

dramatische lading aan het debat, die het voor mij nog

helemaal niet heeft. Volgens mij heeft het kabinet altijd

het vertrouwen van de Kamer, totdat het tegendeel blijkt.

Er wordt gevraagd om een parlementaire enquête. Dat is

een vorm van waarheidsvinding. Veel later kunnen

daaraan natuurlijk politieke consequenties worden

verbonden, maar nu is dat helemaal niet aan de orde. De

vraag is, of de Kamer voldoende is geïnformeerd. In

reactie op de informatie van Reporter hebt u in de

uitzending gezegd dat het gaat om een verzoek om mee

te vechten. Vindt u dat u voldoende bent geïnformeerd

en was u niet verrast door de informatie? Op televisie

scheen u wel verrast, en dan is het toch wonderlijk als

daarvan in de Kamer niets meer over is.

De heer Van Baalen (VVD): In de uitzending, maar ook

in daarop volgende interviews, heb ik steeds gezegd dat

de regering afwegingen moet maken. Mijn fractie

beoordeelt wat de regering doet, namelijk het uitspreken

van politieke steun aan de Amerikaanse invasie. Mijn

fractie heeft dat gebillijkt en gesteund. Hoe je het ook

kwalificeert, de Nederlandse regering heeft niet besloten

tot het verlenen van enige vorm van militaire steun. Ik

vind het verstandig dat een dergelijk vertrouwelijk

Pechtold

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3214

verzoek niet in de openbaarheid komt. Dat hoeft ook niet,

omdat het niet iets betreft wat de Nederlandse regering

heeft gedaan.

De heer Pechtold (D66): Het valt mij op dat de heer Van

Baalen als eerste het woord vertrouwen in de mond

neemt. Ik vind dat hij daarmee een onnodig zware lading

aan het debat geeft. Ik ken de heer Van Baalen als

iemand die meer wil weten als er nog onduidelijkheid

bestaat. U geeft zelf aan dat het een verzoek om een

militaire bijdrage betrof, tot en met de inzet van special

forces. Denkt u werkelijk dat de Amerikanen om special

forces vragen wanneer zij niet eerst hebben gesondeerd

of daartoe bereidheid bestaat? Hoe ziet u in dat licht de

vragen met betrekking tot andere zaken, zoals de F-16’s,

de Van Nes en dergelijke? Was dat niet militair? Kortom,

smaakt dit niet naar meer? Waarom spreekt u vertrouwen

uit in een kabinet, terwijl er elke week weer vragen

liggen?

De heer Van Baalen (VVD): Het gaat om vertrouwen. Dat

heeft niets te maken met een extra lading. Het gaat erom

of wij van mening zijn dat het kabinet gedurende een

aantal jaren de Nederlandse veiligheidsbelangen

adequaat en juist heeft behartigd, met betrekking tot de

veiligheidspositie, de wijze van omgaan met inlichtingen

en de internationale situatie rond Irak. Dat vertrouwen

hadden wij en dat hebben wij, en dat spreken wij

duidelijk uit. Natuurlijk wordt er gesondeerd in hoeverre

Nederland bereid is militair iets te doen in Afrika, of het

nu om het Grotemerengebied gaat of om Darfur. Als de

Nederlandse regering zegt daartoe in principe bereid te

zijn, komt er een formeel verzoek, dat door middel van

een artikel 100-brief aan de Kamer wordt voorgelegd. Als

Nederland had besloten om in Irak een militaire bijdrage

te leveren, zelfs als dat was gebeurd ingevolge een

artikel 5-procedure van de NAVO, zou dat in deze Kamer

aan de orde zijn gekomen. Dat is echter niet gebeurd,

omdat die sondering niet positief is beantwoord.

Nederland heeft militair niet meegedaan en dan hoef je

dus ook niet elk blaadje papier zes keer om te draaien

om te weten dat het niet gebeurd is.

De heer Pechtold (D66): Sonderen is natuurlijk heel wat

anders. Natuurlijk zal er gesondeerd worden, maar deze

keer bestond de sondering uit een waslijst waar nog net

niet het aantal zwemvesten voor de boten nauwkeurig op

stond vermeld. Het was een lijst van ettelijke zaken

waarom gevraagd werd en waar duidelijk ook oorlogshandelingen

bij zaten. Het ging niet alleen om doorvlieggegevens

en dat soort zaken.

Vindt de heer Van Baalen de aanwezigheid van vier

Amerikanen op de Walrus niet getuigen van betrokkenheid

bij de voorbereiding op een oorlog in Irak? Zegt de

heer Van Baalen nu niet: ik zou namens de VVD-fractie

toch eens meer willen weten over die uitspraken, gezien

de nieuwe informatie over al die wensen die er op

hetzelfde moment lagen?

De heer Van Baalen (VVD): Het aardige is dat ook de

positie van die onderzeeër, die een bepaalde rol vervulde

in de operatie Enduring Freedom, aan de orde is

geweest. Ik herhaal dat ik niet al het berichtenverkeer

tussen die onderzeeër en Nederland hoef te zien, omdat

ik het vertrouwen heb dat dit door de minister van

Defensie en zijn collega’s goed wordt behandeld.

De heer Pechtold (D66): Enduring Freedom. De

staatssecretaris spreekt twee keer over Irak. Het gaat om

de Iraanse haven die in de gaten wordt gehouden en

vervolgens wordt er gesproken over voorbereidingen van

Amerika om naar Irak te gaan. Irakees en Irak, de

staatssecretaris zegt het twee keer. Doet de heer Van

Baalen dat af als een verspreking of zijn wij op dat

moment betrokken en zijn er Amerikanen op onze boot

aanwezig om te beluisteren wat er in Irak gebeurt?

De heer Van Baalen (VVD): Wij hebben heel veel

gesproken in deze Kamer, onder andere over deze

onderzeeër en over luitenant-kolonel Blom. Op alle

vragen daarover zijn steeds adequate antwoorden

gegeven. Wij hebben militair niet deelgenomen aan

’’Operation Iraqi Freedom’’ en daarmee is voor ons de

kous af. De discussie gaat over een politieke vorm van

steunverlening. Daar kunt u debatten over houden en dat

is ook gebeurd, maar het is een gesloten zaak.

De heer Pechtold (D66): Dat hoop ik voor u, maar niet

voor Nederland.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De kwestie van dat

vertrouwen blijft toch door mijn hoofd spoken, daarom

wil ik u daar nog een vraag over stellen. Mag ik u zo

begrijpen dat u zegt dat een parlementair onderzoek of

een parlementaire enquête eigenlijk een verkapte motie

van wantrouwen is?

De heer Van Baalen (VVD): U zoekt in de hele kwestie

iets onder een steen en dan denkt u wat gevonden te

hebben, maar er zit gewoon aarde onder die steen. Met

andere woorden, het heeft niets met moties van

wantrouwen te maken. De vraag is of je erop vertrouwt

dat de belangen van Nederland adequaat door deze

bewindslieden en hun voorgangers zijn behartigd in de

kwestie rond Irak. Daar gaat het om. U probeert er meer

achter te zoeken. Als mijn fractie de indruk had gehad

dat wij op basis van foute informatie en een foute

argumentatie de regering hadden gesteund, dan hadden

wij ook om een onderzoek gevraagd. Dat is echter niet

het geval. Wij gaan niet bij wijze van bezigheidstherapie

een onderzoek houden, terwijl mijn fractie dat niet nodig

acht. U mag proberen een meerderheid aan uw kant te

krijgen, maar op dit moment zult u mijn fractie niet aan

uw kant vinden.

©

De heer Wilders (PVV): Voorzitter. Ik hoop dat u niet al te

teleurgesteld zult zijn als ik mijn tien minuten spreektijd

niet volmaak. Het is al erg genoeg dat wij dit debat

hebben. Ik hoop er in ieder geval toe bij te dragen dat

wij voor de avondpauze klaar zijn.

De aanval op Irak in 2003 was natuurlijk volkomen

terecht. Als de Nederlandse regering toen al fouten heeft

gemaakt, dan waren die vooral politiek van aard. Ik doel

op de naar mijn mening toch wat slappe keuze om de

Amerikaans-Britse actie tegen Irak alleen politiek te

steunen en niet militair. Wij weten het allemaal: dat was

een slap compromis, omdat er toen ook coalitieonderhandelingen

werden gevoerd tussen het CDA en de

PvdA. Ik heb dat al in 2003 bekritiseerd als woordvoerder

buitenland van de VVD-fractie en ik doe dat nu weer

Van Baalen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3215

namens de PVV, die natuurlijk ook een veel betere partij

is.

Ik zei het al: de aanval op Irak in 2003 was terecht.

Saddam Hoessein lapte gedurende twaalf jaar talloze

VN-resoluties aan zijn laars en heeft de internationale

gemeenschap er nooit van kunnen en willen overtuigen

dat hij zijn pogingen tot het verkrijgen van massavernietigingswapens

had opgegeven. Ook op dat

moment waren wapeninstructeurs niet in staat om vast

te stellen dat Saddam Hoessein volledig aan zijn

ontwapeningsverplichtingen voldeed of bereid was,

daaraan te voldoen. Uit het zogenoemde clusterdocument,

een rapport van 6 maart 2003 van Unmovic,

dus van de inspecteurs zelf, bleek dat Irak op dat

moment op maar liefst 28 openstaande vragen over

ontwapening geen antwoord wilde geven. In resolutie

1441 van de Veiligheidsraad was er sprake van ’’serious

consequences’’. Wij weten allemaal dat er in twee

eerdere resoluties van het begin van de jaren negentig,

678 en 687, ook sprake was van ’’all necessary means’’,

hetgeen erop neerkomt dat in 2003 militair optreden

geoorloofd was. Je mag het bijna niet zeggen, maar ik

zeg het toch, want het is iets om trots op te zijn: het

verlenen van steun aan een belangrijke bondgenoot als

de VS was en is, wat mij betreft, nog steeds geen

schande, maar juist op zijn plaats. Wij moeten dus niet

vergeten dat de werkelijke reden van de Brits-

Amerikaanse aanval op Irak was dat Saddam Hoessein

de internationale rechtsorde eindeloos tartte en de

relevante VN-resoluties naast zich neerlegde. De

geloofwaardigheid van de internationale gemeenschap

stond op het spel. In 2003 was de maat vol en was

ingrijpen gelegitimeerd.

Mijn fractie ziet geen enkele aanleiding om te twijfelen

aan de kabinetsmededelingen over de aanloop naar de

oorlog tegen Irak. In het verleden heeft het kabinet de

Kamer verzekerd dat Nederland geen actieve militaire

steun leverde aan de aanval op Irak. Vorige week en in

de brief van afgelopen maandag heeft het kabinet in

antwoord op vragen van collega Pechtold herhaald dat

Nederland noch militair betrokken was bij de voorbereiding

van de aanval op Irak, noch bij de aanval zelf en dat

er evenmin Nederlandse F-16’s dan wel speciale

eenheden zijn ingezet. Los van mijn politieke oordeel dat

dit wel had kunnen gebeuren, is daarmee wat mij betreft

de kous af. Collega Van Baalen noemt het een kwestie

van vertrouwen. Dat vind ik ook. Het kabinet heeft dit de

Kamer medegedeeld en het tegendeel is niet gebleken,

dus wij hebben het kabinet op dit vlak te volgen. Ik moet

hier meteen bij zeggen dat ik niet altijd zo loyaal aan dit

kabinet zal zijn, maar vandaag ben ik dat wel. Dat het

kabinet de Kamer niet zou hebben geïnformeerd over

een aantal niet ingewilligde verzoeken die bovendien

deels militair waren, doet daar niets aan af. Dat is

volgens mij een juiste manier van handelen van het

kabinet, van het vorige kabinet wel te verstaan.

Ik ga niet in op alle mogelijke verwijten die men in

verschillende radio- en televisieprogramma’s heeft

gemaakt door selectief memoranda en noem maar op

aan te halen, want die zijn mijns inziens voldoende

weerlegd in de brief van afgelopen maandag.

Het is goed om op zijn tijd terug te kijken naar het

verleden, ook voor politici, al is dit natuurlijk de taak van

historici. Mij lijkt dat wij het eindeloze gewroet en, staat

u mij toe, soms ook gezeur over dit dossier in het

verleden achter ons moeten laten. Ik stel dan ook voor

dat dit het laatste debat is dat wij deze eeuw over deze

kwestie in dit huis houden. Het zou mij een lief ding

waard zijn als wij ophielden met terugkijken. Laten wij

vooruit kijken. Er zijn genoeg serieuze zaken om meer

aandacht aan te besteden. Ik noem in dit verband Irak, de

politieke stabiliteit in het Midden-Oosten, Iran enzovoort.

Laten wij hier voorrang aan verlenen en dit dossier voor

eens en altijd sluiten. Dat lijkt mijn fractie een stuk

zinvoller.

De heer Pechtold (D66): Het is bijna aandoenlijk hoe de

heer Wilders het woord sluiten maar herhaalt in de hoop

dat dit dan ook gebeurt. Hij zegt dat er in programma’s

selectief wordt geciteerd uit gelekte memo’s. Kan hij dat

controleren omdat hij de gehele memo’s heeft gezien?

Zo nee, of zo ja, vindt hij niet net als de fractie van D66

dat dit soort memo’s aan de Kamer ter beschikking

moeten worden gesteld als zij eenmaal op straat liggen,

het kabinet eruit citeert en een oordeel over de citaten

geeft? Dan kan de Kamer het totaal beoordelen, bij

voorbeeld in een debat, zoals dat nu tussen hem en mij

plaatsvindt.

De heer Wilders (PVV): Nee. Ik raad het kabinet juist af

om die memo’s, die intern van aard zijn, naar de Kamer

te sturen. Daar zijn zij namelijk niet voor bedoeld. Het

kabinet heeft wel het volste recht om stukken – niet

alleen het memorandum waar het kabinet op pagina 2

van haar brief op wijst, maar ook een telex – te

weerleggen, die televisieprogrammamakers kennelijk in

handen hebben gekregen. Van dat recht heeft het kabinet

ook gebruik gemaakt. Zij geeft namelijk ook aan dat het

memorandum geen aanleiding geeft tot de stelling die

door het televisieprogramma is betrokken. In het

memorandum wordt uitdrukkelijk gesteld: ’’Een eerste

prioriteit is de terugkeer van inspecteurs. Pas daarna

komt de mogelijkheid van militair optreden aan de orde.’’

Ik geloof dat het kabinet de Kamer hier niet voorliegt. Ik

geloof dat het televisieprogramma selectief heeft

gewinkeld in de stukken. Als ik dat geloof, hoef ik de

stukken ook niet te zien.

De heer Pechtold (D66): Dus zonder dat u de stukken

zelf hebt gezien en zonder dat u daarover zelf hebt

kunnen oordelen, zegt u dat u datgene vertrouwt wat het

kabinet u voorschotelt, met een kwalificatie over het

werk van journalisten. Dat is wel heel veel vertrouwen

voor de toekomst als het erom gaat met uw fractie

vrijheid en democratie te zoeken bij een kabinet. In de

telex staan vier scenario’s, die alle vier uitkomen op

oorlog. Dat is toch duidelijk? Daar is toch geen letter

Chinees bij?

De heer Wilders (PVV): Ik treed niet in het geval van

welke specifieke casus dan ook. Op het eerste deel van

uw vraag wil ik wel antwoorden. Wij hebben in dit huis

de staatsrechtelijke basisregel dat wij ervan uitgaan dat

informatie van het kabinet aan de Kamer klopt wanneer

het tegendeel niet blijkt. Welnu, het kabinet heeft een

brief gestuurd waarin het onder meer is ingegaan op de

genoemde telex, maar ook op het in het televisieprogramma

genoemde memorandum. Ik ga ervan uit dat

dat klopt. Wat mij betreft is de zaak daarmee afgedaan.

De casuïstiek laat ik liever over aan historici. Ik herhaal

dat ik hoop dat wij hierover nooit meer hoeven te

spreken.

Wilders

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3216

©

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Waar gaat dit

debat nu precies over? In eerste instantie leek het, toen

de heer Pechtold het aanvroeg, te gaan om de actuele

strategie ten opzichte van Irak en over de discussie

daarover in de VS. Dat is inderdaad een belangrijk

onderwerp. De situatie is zoals wij allen weten zorgwekkend.

De vrede is bepaald niet gewonnen. Het is nodig

om ons daarop voortdurend te bezinnen. Ik heb al eerder

aangegeven dat hier wat de SGP-fractie betreft goedkope

oplossingen niet voldoen, zoals eenzijdige pleidooien

voor een snelle terugtrekking van de troepen. Met holle

anti-Amerikaanse retoriek is nog nooit een oorlog

gewonnen.

De moeilijke politieke situatie in Irak vraagt naar de

mening van de SGP-fractie wel om een voortdurend

constructief politiek en zo nodig militair commitment. Ik

denk ook aan de huidige trainingsmissie voor Irakese

veiligheidsmensen.

Waar gaat dit debat nu eigenlijk over? De focus van

het debat is inmiddels verschoven naar de politieke

steun die in maart 2003 door de Nederlandse regering is

gegeven aan het militair optreden in Irak. De SGP-fractie

heeft met die politieke steunverlening ingestemd. Reden

daarvoor was het mislukken van de diplomatieke

pogingen om Saddam Hoessein tot nakoming te brengen

van de verplichtingen die de internationale gemeenschap

hem had opgelegd inzake massavernietigingswapens.

Prangende vragen over ontwapening werden niet

afdoende beantwoord en reden voor een gepast

wantrouwen was er volop. Tot tweemaal toe was

Saddam het buitenland binnengevallen en was hij er niet

voor teruggedeinsd om chemische wapens, mosterdgas

en zenuwgas te gebruiken tegen Iraniërs en Koerden.

Met pijn in het hart, omdat een oorlog altijd vreselijk is,

heeft de SGP-fractie daarom overtuigd steun gegeven

aan de inval in Irak, die ook leidde tot de beëindiging van

het massavernietigingsregime van Saddam Hoessein.

Wel hadden wij moeite met de figuur van de politieke

steun die wegens een gebrek aan draagvlak op dat

moment niet gepaard ging met enige militaire steun. Dat

kwam toch als een zwaktebod over, zoals wij indertijd

ook hebben gewisseld. Wij stonden erbij en keken er

goedkeurend naar, althans, figuurlijk gesproken, want

toen een Nederlandse generaal letterlijk te prominent in

beeld kwam bij een persconferentie, werd er zelfs ijlings

van de kant van de Nederlandse regering treurnis over

uitgesproken.

Het is opmerkelijk dat die tamelijk vrijblijvende

politieke steun politiek zo veel heeft losgemaakt. Er is

waarschijnlijk in de laatste jaren geen onderwerp te

vinden waarover zo veel moties zijn ingediend en

waarover zo veel debatten zijn gehouden als over de

achtergrond van de verleende politieke steun. Sinds

maart 2003 is er zo ongeveer eens per halfjaar een motie

ingediend waarin om een parlementair onderzoek werd

gevraagd, of dat nu de motie-Koenders, -Van Bommel,

-Karimi of -Kos¸er Kaya was, steeds met hetzelfde heldere

resultaat. De motie werd verworpen. Kortom, ik durf

vandaag te zeggen dat geen besluit van de afgelopen

jaren democratisch zo stevig is gelegitimeerd als het

afwijzen van een parlementair onderzoek naar de

politieke steun aan de inval in Irak. Dit is dus grondig en

van alle kanten bekeken en herhaaldelijk door de Kamer

van de hand gewezen nadat er uitgebreid inhoudelijk

over was gedebatteerd.

Toch blijft een minderheid vragen om zo’n onderzoek.

De vraag kan daarom opkomen, of dit geen reden is om

een onderzoek alsnog toe te staan. Er valt immers niets

te verbergen. Ik vind deze redenering eerlijk gezegd een

zeldzaam zwaktebod. Die zou een premie zetten op het

eindeloos opnieuw in stemming brengen van een

verworpen motie. Het is alleen al om te komen tot een

efficiënte werkwijze van het parlement, niet erg

raadzaam om de uitvoer van een motie die talloze malen

op goede gronden is verworpen, toch maar te honoreren

om van het gezeur af te zijn. Het is verder een doorzichtige

retorische truc om de suggestie te wekken dat wie

tegen een onderzoek is, kennelijk iets te verbergen heeft.

De truc waarbij de bewijslast wordt omgekeerd moet

kennelijk maskeren dat er onvoldoende positieve

redenen zijn te bedenken waarom zo’n onderzoek wél

nuttig zou zijn. Dit laatste is immers precies de reden

geweest waarom de motie niet door een Kamermeerderheid

werd gesteund; de exacte omvang en de

acuutheid van de dreiging van massavernietigingswapens

is voor de Nederlandse regering én een

meerderheid van het Nederlandse parlement nooit een

reden geweest om militair ingrijpen legitiem te achten.

De politieke steun was heel zorgvuldig juridisch

gegrondvest op het schenden van de resoluties door

Saddam Hoessein; wij hebben daarover uitgebreid

gedebatteerd.

Mevrouw Thieme (PvdD): Ik heb de fractievoorzitter van

de SGP deze ochtend op de radio nog horen spreken

over de kloof tussen publiek en politiek. De heer Van der

Staaij heeft het er nu over dat een minderheid in de

Kamer een parlementaire enquête wil, maar dat de

meerderheid daar absoluut niet voor is. Als wij echter

kijken naar wat het publiek wil, dan blijkt een meerderheid

van de Nederlandse bevolking vóór zo’n onderzoek

te zijn. Hoe kan het dat de fractievoorzitter van de SGP

pleit voor verkleining van de kloof tussen de politiek en

het publiek, terwijl de heer Van der Staaij nu zegt dat wij

in de Kamer dit soort zaken uiteindelijk zelf beslissen en

dat wij niets te maken hebben met wat een meerderheid

van de Nederlandse bevolking wil?

De heer Van der Staaij (SGP): Opiniepeilingen kunnen

niet de basis zijn van de besluiten die wij in de Kamer

nemen. Uiteraard moeten wij goed luisteren naar de

sentimenten die er onder de bevolking leven. Ik las laatst

echter ook over een onderzoeksrapport waarin werd

voorgesteld de bevoegdheden van justitie om huiszoekingen

te doen maar eens uit te breiden, want goedwillende

burgers hebben niets te verbergen en een

meerderheid van de Nederlandse bevolking voelt

daarvoor wel wat. Ik zeg dan: wacht even, er zijn ook nog

andere belangen die wij in ogenschouw moeten nemen.

Hierin kunnen wij niet zomaar meegaan. Argumenten

moeten altijd gewogen worden. Laten wij verder eerlijk

en nuchter zijn, mevrouw Thieme. Als een aantal

mensen, ook in de Kamer, telkens roept dat de boel

wordt misleid, dan gaan mensen vanzelf wel denken dat

de boel toch maar eens onderzocht moet worden. Ik

neem deze mensen immers niet kwalijk dat zij niet alle

uitvoerige debatten gevolgd hebben die wij hierover in

2003 gevoerd hebben. Ik neem ze niet kwalijk dat zij niet

meer precies weten hoe zorgvuldig en grondig de

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3217

afwegingen zijn gemaakt. Ik neem het hen niet kwalijk

dat zij dat niet meer allemaal op het netvlies hebben

staan. Het is óns werk om een en ander goed vorm te

geven. Ik kan aan iedereen uitleggen dat de Kamer zich

op dit punt goed gekweten heeft van haar controletaak;

ik durf dat met volle overtuiging te doen.

De kloof dichten tussen burgers en politiek is heel

lastig. Je komt er niet mee weg door daarvoor een

minderheid iets toe te staan. Juist de spoeddebatten

roepen onder de burgers immers veel ergernis op. Je

kunt je daarom in dit opzicht afvragen of de 30-ledenregeling

wel goed is. Ik herinner eraan dat wij die nu

juist hebben ingevoerd, omdat wij van Fortuyn meenden

geleerd te hebben dat wij in de Tweede Kamer meer

moesten debatteren over onderwerpen waarover in de

huiskamers gesproken werd. De conclusie werd

getrokken dat wij de kloof moesten dichten door snelle

spoeddebatten toe te staan. Nu zeggen wij weer dat al

die spoeddebatten het dichten van de kloof in de weg

staan. Het onderwerp dat u aansnijdt, mevrouw Thieme,

is dus belangrijk, maar wel een beetje lastig.

Ik had het over de politieke steun die zorgvuldig

juridisch was gegrondvest op het schenden van de

resoluties van de VN door Saddam Hoessein. Deze

motivering is glashelder; zij stond als een huis en staat

nog steeds als een huis. De ernstige problemen die

nadien in Irak zijn ontstaan, zijn hierop niet terug te

voeren. De eigenstandige motivering van de Nederlandse

regering voor de verleende politieke steun, maakt dat

elke vergelijking met andere landen waar wél parlementair

onderzoek plaatsvond, volstrekt mank gaat.

Bovendien ligt er een verschil doordat landen als de VS

en het Verenigd Koninkrijk daadwerkelijk militair

deelnamen aan het optreden in Irak.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik ken de heer Van der

Staaij als iemand die juridisch buitengewoon zorgvuldig

argumenteert. Is hij het met mij eens dat schending van

resolutie 1441, waarover het steeds gaat, nooit is

vastgesteld?

De heer Van der Staaij (SGP): Ik herinner mij nog

scherp dat alle landen van de VN met uitzondering van

Syrië destijds van mening waren dat Saddam Hoessein

de verplichtingen niet nakwam die hem op grond van de

resoluties waren opgelegd.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik herinner mij

wapeninspecteur Blix, die vond dat er vooruitgang

geboekt werd. Hij vroeg om nog een aantal weken voor

verder onderzoek. Daar is dwars doorheen gemarcheerd.

Niet voor niets, want ook de ambtenaren van Buitenlandse

Zaken hebben gezegd dat een en ander juridisch

aanvechtbaar was als grond voor oorlog.

Minister Verhagen: Voorzitter...

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Volgens mij denkt de

heer Verhagen dat hij nog in de Tweede Kamer zit.

De voorzitter: Mijnheer Verhagen, u heeft straks uw

termijn, niet nu.

Minister Verhagen: Voorzitter, hier wordt gesteld dat

ambtenaren...

De voorzitter: U heeft het woord niet. Als u dat wilt

hebben, moet u even wachten totdat mevrouw Halsema

is uitgesproken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Zo’n ministerschap

heeft ook beperkingen.

Mijn vraag is dus waarom de Amerikanen en de

Engelsen anders een extra resolutie nodig hadden om de

aanval in Irak te legitimeren.

De heer Van der Staaij (SGP): Die extra resolutie was

wenselijk, maar niet noodzakelijk. Dat hebben wij toen

met elkaar gewisseld. Ook is toen gesproken over welke

consequenties er moesten worden verbonden aan het

feit dat Saddam Hoessein zijn verplichtingen op grond

van de resoluties niet nakwam. Legitimeerde dat een

daadwerkelijk militair optreden ja of neen? Dat hield ons

gescheiden in het politieke debat van toen, maar wij

hebben er wel een grondig debat over gevoerd. Ik vond

het terecht dat de heren Wilders en Van Baalen dat ook

aangaven, maar je moet ervoor oppassen kleine stukjes

uit dat debat en de redenering van toen te halen om die

vervolgens tegen het licht te houden, want dan loop je

het risico een onvolledig en vertekend beeld te schetsen

van de werkelijkheid. Lees de notulen van het debat van

28 augustus 2003 er maar op na. Toen is uitvoerig

gesproken over alle onderdelen en resoluties. Wij kunnen

dat nu niet snel even overdoen en er iets uitlichten, zoals

de heer Pechtold deed met zijn opmerking dat hij nog

even wilde spreken over het feit dat een aantal mensen

destijds op de Walrus stond. Zo werkt dat niet. Laten wij

niet op die manier debatten voeren. Dat is echt beneden

peil.

Ik kom tot een conclusie. Wij konden en kunnen onze

parlementaire energie wel beter besteden, dan met de

rug naar de toekomst te willen spitten in documenten die

simpelweg niet de basis vormden voor het relevante

besluit tot politieke steunverlening.

Waar gaat dit debat nu precies over? Het is de

regering moeilijk te verwijten dat zij geen uitvoering

heeft gegeven aan de telkens weer overtuigend

verworpen moties over de politieke steunverlening. De

kritiek lijkt zich nu toe te spitsen op de houding van de

PvdA-fractie, die de hardnekkig volgehouden wens tot

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

© M. Sablerolle – Gouda

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3218

parlementair onderzoek heeft prijsgegeven tijdens de

kabinetsonderhandelingen en politieke steun onthield

aan een motie waar deze fractie op inhoudelijke gronden

erg voor was. Die inhoudelijke kritiek snijdt eerlijk gezegd

wel hout. Als je, zoals de PvdA, anders dan de SGPfractie,

echt vindt dat het heel erg nodig is dat hier

parlementair onderzoek naar plaatsvindt, is het ongepast

om dit als wisselgeld te gebruiken in coalitieonderhandelingen.

Het is een riskant precedent om niet het

voorgenomen beleid, maar de controlebevoegdheid van

het parlement tot onderhandelingsinzet voor een

coalitieakkoord te maken, maar dat debat voeren wij

vandaag ook niet.

Ik rond af. Het zal duidelijk zijn dat de SGP-fractie geen

enkel nieuw feit of argument ziet om terug te komen op

het standpunt dat wij steeds hebben ingenomen,

namelijk dat er geen goede reden is voor een aanvullend

parlementair onderzoek naar de Nederlandse politieke

steun aan het militair optreden in Irak.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De heer Van der

Staaij gebruikte eerder in zijn betoog het woord

’’democratisch’’, waar het ging om het afwijzen van

moties die op zo’n onderzoek aandrongen. Dat klopt. Een

meerderheid was daar tegen. Nu noemt het hij het

weggeven in de onderhandelingen over het regeerakkoord

door de PvdA van de mogelijkheid van een

onderzoek ongepast. Is dat niet veel meer ondemocratisch?

Het is een van de belangrijkste rechten van de

Tweede Kamer om te besluiten tot een parlementair

onderzoek. Als je afspreekt dat je van dat recht geen

gebruik gaat maken, stel je de werking van de democratie

even buiten de orde. Dat is niet ongepast, dat is

ondemocratisch. Wat vindt de heer Van der Staaij

daarvan?

De heer Van der Staaij (SGP): Dat is de kwalificatie van

de heer Van Bommel. Ik vond de term ’’ongepast’’ wel

mooi. Het is de vraag welke invulling je aan de term

’’ondemocratisch’’ geeft. Ik vind het ook niet zo sterk uit

het oogpunt van het goed functioneren van een

democratie om naar aanleiding van een motie, in dit

geval over een parlementair onderzoek, die hier uitvoerig

is bediscussieerd en waarvan het resultaat was dat er

geen onderzoek kwam, telkens op hetzelfde onderwerp

terug te komen, zonder dat er overtuigend nieuwe feiten

en omstandigheden zijn, maar gewoon omdat men zijn

zin niet heeft gekregen. Of dat democratisch zo sterk is,

daar kun je ook vraagtekens bij zetten. Het is het recht

van een fractie om telkens weer een motie in te dienen,

maar uit het oogpunt van het goed functioneren van de

democratie vraag ik me af of dat wel zo sterk is. Je voert

een volwassen debat met elkaar en daarna moet je soms

concluderen dat je je zin niet krijgt, omdat de meerderheid

ergens niet voor voelt, om heel goede redenen die

jij niet deelt. Dan moet je je verlies nemen en niet bezig

blijven, want de parlementaire energie die dit kost,

kunnen wij wel beter gebruiken.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Ik vraag de heer

Van der Staaij naar zijn oordeel over het weggeven van

een democratisch recht van het parlement door de PvdA.

De heer Van der Staaij (SGP): Laten wij het niet

zwaarder maken dan het is. Als de PvdA-fractie voor de

motie van uw fractie had gestemd, was zij ook niet

aangenomen. Het is hetzelfde als met de politieke steun

voor de oorlog in Irak. Zonder onze steun was het

waarschijnlijk op dezelfde manier gegaan. Dat relativeert

het toch wel een beetje.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Ik vraag de heer

Van der Staaij niet naar de uitkomst van een stemming

als de PvdA-fractie voor de motie had gestemd. Ik vraag

zijn oordeel over het weggeven van het democratisch

recht om onderzoek te doen; een van de belangrijkste

rechten van een parlement.

De heer Van der Staaij (SGP): De PvdA-fractie kan niet

in haar eentje een democratisch recht van de Kamer

weggeven. Dat is een misverstand. De Kamer bepaalt in

meerderheid of er een parlementair onderzoek wordt

gehouden. Ik had het overigens prima gevonden als de

PvdA tijdens de coalitieonderhandelingen tot de

overtuiging was gekomen dat er geen goede gronden

zijn voor een parlementair onderzoek, hoewel zij daar als

oppositiepartij altijd een punt van heeft gemaakt. Ik

schrok er een beetje van dat de PvdA nog steeds van

mening is dat een dergelijk onderzoek nodig is, maar

toch heeft afgesproken om dat maar niet te doen. Ik

wilde alleen maar zeggen dat dit naar mijn mening

wringt.

De heer Van Bommel (SP): Het lijkt alsof de heer Van

der Staaij denkt: als ik maar lang genoeg praat, dan gaat

die mijnheer bij de interruptiemicrofoon wel weg. Dat is

echter niet geval. Ik kan hem zeggen dat hij aan

geschiedvervalsing doet. Tijdens het debat over de

regeringsverklaring heeft de heer Tichelaar erkend dat de

PvdA dit recht heeft weggegeven. Gisteren heeft de

minister-president in de Eerste Kamer duidelijk gemaakt

dat er een afspraak over is gemaakt. Waarom loopt u

weg voor de werkelijkheid die wel wordt erkend door de

PvdA en het CDA?

De heer Van der Staaij (SGP): Kennelijk denkt de heer

Van Bommel: als ik hier maar lang genoeg blijf staan,

dan zegt de heer Van der Staaij wel wat ik wil. Maar zo

werkt het niet. Wij kiezen onze eigen bewoordingen en

wij hebben onze eigen opvattingen. Soms lopen die

parallel, maar soms ook niet. Van het laatste is dit een

helder voorbeeld.

Tot slot heb ik een vraag over de verzoeken die de

regering krijgt om militair aan bepaalde operaties bij te

dragen. Vanzelfsprekend wordt het parlement steeds

geïnformeerd als de regering daadwerkelijk van plan is

om ’’ja’’ tegen zo’n verzoek te zeggen. Hoe zit het echter

met verzoeken die worden afgewezen? Daarover wordt

het parlement niet structureel geïnformeerd. Het lijkt mij

dat de Kamer steeds moet worden geïnformeerd als een

dergelijk verzoek aan de orde is. Voor een samenhangende

beoordeling is het goed, te weten welke verzoeken

worden afgewezen, bijvoorbeeld vanwege de schaarse

militaire capaciteit.

De heer Van Dam (PvdA): Naar mijn indruk is het

Amerikaanse verzoek om bij te dragen aan de militaire

opbouw inzake Irak keurig aan de Kamer gemeld. Het

kabinet heeft destijds ook gemeld hoe daarmee werd

omgegaan. Daar zit volgens mij geen probleem.

De heer Van der Staaij (SGP): Het is goed dat u dit zegt.

Van der Staaij

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3219

Ik probeerde niet aan te geven dat er naar mijn mening

iets niet zou deugen. Het is mij opgevallen dat er geen

afspraken zijn op grond waarvan de Kamer structureel

wordt geïnformeerd over verzoeken om bij te dragen aan

militaire operaties. Voor het totaalbeeld is het goed om

ook te weten welke verzoeken worden afgewezen.

De voorzitter: Het woord is aan mevrouw Van Gennip,

die haar maidenspeech zal houden. Zij is zo ruimhartig

om de andere leden aan het eind van haar speech de

gelegenheid te geven om vragen te stellen. Ik zal

beoordelen in hoeverre die overeenstemmen met het

karakter van een maidenspeech.

©

Mevrouw Van Gennip (CDA): Voorzitter. Dit is een

bijzonder debat. Juist daarom kan ik mij voorstellen dat

de regels voor een maidenspeech soepel worden

toegepast.

Op 18 maart 2003 heeft er een uitgebreid debat in de

Kamer plaatsgevonden waarin de argumenten zijn

gewisseld inzake politieke steun aan de inval in Irak door

de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en

Australië. Het ging om politieke en niet om militaire

steun. Daarna is er in dit parlement nog vele malen over

gesproken. Met alle respect, maar de bijdragen teruglezend,

valt het mij op dat steeds dezelfde discussies

terugkeren.

De discussie over politieke steun is hier in alle

openheid gevoerd. Ik herhaal kort de overwegingen van

de CDA-fractie om destijds die politieke steun te

verlenen, overwegingen die nog steeds gelden. Saddam

Hoessein had gedurende een reeks van jaren niet

voldaan aan opeenvolgende VN-resoluties. Saddam

Hoessein had in het verleden niet geschuwd gifgassen –

en dat zijn massavernietigingswapens – in te zetten

tegen zijn eigen mensen en in de oorlog met Iran.

Daarom stelde resolutie 1441 dat hij zich diende te

ontdoen van massavernietigingswapens en dat daartoe

de burden of proof bij hem lag. In geval van niet

meewerken stelde resolutie 1441 serious consequences

in het vooruitzicht. Voor de duidelijkheid: het was dus

niet aan de internationale gemeenschap om aan te tonen

dat onomstotelijk vaststond dat hij in het bezit was van

massavernietigingswapens. Nee, het was aan hem om

aan te tonen dat hij die niet had. Uiteindelijk werkte

Saddam Hoessein niet mee. Iedereen herinnert zich de

inspecteurs die de paleizen niet in mochten en de 128

vragen van Blix die onbeantwoord bleven. Dan komt op

een gegeven moment de vraag: laat je Saddam Hoessein

hiermee wegkomen of vind je dat een onacceptabel

risico? Dat heeft de CDA-fractie op 18 maart 2003 gezegd

bij monde van Maxim Verhagen. Dat waren destijds de

overwegingen en die gelden nog steeds. Dat er nu geen

massavernietigingswapens zijn aangetroffen, doet niet af

aan de situatie toen. Saddam Hoessein werkte niet mee,

toonde niet aan dat hij niet beschikte over massavernietigingswapens.

Daarmee staat die besluitvorming.

Die besluitvorming is in alle openheid tot stand

gekomen. Het is een politieke oordeelsvorming. Daarna

is die besluitvorming nog vele malen in het parlement

besproken. Daarom is volgens de CDA-fractie een

parlementair onderzoek niet nodig.

De CDA-fractie kan zich vinden in de reactie van de

regering op de uitzendingen van Reporter en Argos. De

regering weerlegt duidelijk suggesties die daarin werden

gewekt. Het blijkt ook oud nieuws te zijn. Bovendien zijn

het onderwerpen en situaties waarover de regering al

verschillende malen met de Kamer heeft gesproken en

waarover de Kamer geïnformeerd is. De discussie van

vandaag zou moeten gaan over de huidige situatie in

Irak. Daar moeten wij onze energie op richten.

De CDA-fractie heeft grote zorgen over de verslechterende

situatie in Irak. Blair sprak van een orgie van

geweld. Bijna vier miljoen mensen op de vlucht, in Irak

en daarbuiten. Eerste vereiste is natuurlijk dat de

veiligheid van de burgers hersteld wordt, maar ook dat

de opbouw van bestuurlijke en juridische capaciteit grote

prioriteit heeft evenals de economische vooruitzichten op

de lange termijn. Het rapport van Baker en Hamilton

hecht aan de betrokkenheid van de regio, dus ook van de

buurlanden Iran en Syrië, bij het uitwerken van een

duurzaam traject voor Irak. Hoe ziet de regering deze

betrokkenheid? Kan de regering aangeven of er naast de

afspraak dat er een vervolgconferentie zal komen al

eerste uitkomsten zijn van de eerste conferentie op

10 maart in Bagdad? Hoe apprecieert zij dat proces? Op

welke manier kan de toegang voor hulporganisaties

worden verbeterd? Hoe ziet de regering de rol van de

UNHCR? Op welke wijze wil de regering extra bijdragen,

zoals zij schrijft in haar brief? Welk aanbod gaat de

Nederlandse regering concreet en expliciet doen op de

conferentie van 16 en 17 april?

De voorzitter: Ik constateer dat er geen vragen zijn aan

mevrouw Van Gennip. Dan feliciteer ik haar als eerste

met haar maidenspeech. Ik geef vervolgens haar

collega’s de gelegenheid voor felicitaties.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

©

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter.

Allereerst feliciteer ik collega Van Gennip. Ik heb grote

waardering voor haar inbreng. Dit klinkt misschien gek

uit mijn mond, want ik ben relatief nieuw en zij is veel

langer aan de gang in het politieke bedrijf.

De omstandigheden waaronder de Nederlandse

regering vier jaar geleden met instemming van de fractie

van de ChristenUnie politieke steun heeft verleend aan

de inval in Irak zijn volstrekt duidelijk en al verschillende

keren in de Kamer aan de orde geweest. Niet de

aanwezigheid van massavernietigingswapen, maar het

feit dat Saddam Hoessein jarenlang weigerde gehoor te

geven aan de opeenvolgende resoluties van de

VN-Veiligheidsraad en het feit dat hij uiteindelijk de

resolutie 1441 naast zich neerlegde, vormden de

aanleiding voor militair ingrijpen in Irak. Dat was voor

ons aanleiding om daaraan politieke steun te verlenen.

Wat mijn fractie betreft is er dan ook geen enkele

aanleiding om de legitimiteit van dit besluit ter discussie

te stellen. De aantijgingen die onlangs in het radioprogramma

Argos en het tv-programma Reporter werden

geuit over de militaire betrokkenheid van Nederland bij

de inval in Irak en het bij voorbaat aansturen op het

verlenen van steun aan de oorlog worden wat mijn

fractie betreft in de brief van maandag 2 april overtuigend

ontkracht.

De argumenten voor de besluitvorming zijn eerder

besproken in diverse Kamerdebatten. Ik heb de Handelin-

Van der Staaij

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3220

gen er nog eens op nageslagen en ik ben onder de

indruk. Het is me nogal een rijtje. Er waren uitgebreide

debatten op 26 juni 2003, 28 augustus 2003, 19 februari

2004, 20 april 2004 en zo gaat het door tot 6 oktober

2005. Daarna zijn er nog vele Kamervragen gesteld en

zijn er moties ingediend. Er zijn brieven gestuurd over de

MIVD-rapporten, om maar niet te spreken over vertrouwelijke

overleggen met de CIVD over Irak.

Het zou goed zijn om het verleden nu eindelijk te laten

rusten en ons te concentreren op de toekomst. Daarom

was mijn fractie ook blij met de actualisering in de brief

van 2 april over de situatie in Irak op dit moment. Er zijn

nog vele inspanningen nodig om de stabiliteit en de

veiligheid in Irak te herstellen. Nederland zet zich

daarvoor in door een bijdrage te leveren aan een

NAVO-trainingsmissie. Mijn fractie vindt het hoopgevend

dat er onlangs in Bagdad een regionale conferentie heeft

plaatsgevonden, waaraan naast de permanente leden

van de Veiligheidsraad ook de buurlanden Syrië en Iran

deelnamen.

Duurzame stabiliteit in Irak kan niet worden bereikt

zonder medewerking van omliggende landen. In

hoeverre worden er daadwerkelijk vorderingen gemaakt

als het gaat om het op gang brengen van het

verzoeningsproces dat in het Hamilton-Baker-voorstel

wordt gesuggereerd en in hoeverre spelen de voorwaarden

voor met name de betrokkenheid van Iran en Syrië

daar nog een rol in? In het Hamilton-Baker-initiatief is

een aantal voorwaarden neergelegd en ik vraag mij af in

hoeverre daar in de aanloop naar een volgende

conferentie rekening mee wordt gehouden.

Mijn fractie maakt zich grote zorgen over de humanitaire

situatie in Irak en de situatie van de vluchtelingen.

Het is goed dat de Nederlandse regering zich bereid

heeft verklaard om meer middelen ter beschikking te

stellen. Er is echter meer nodig dan alleen financiële

middelen. Syrië en Jordanië zijn volgens hulporganisaties

onvoldoende in staat om de grote stromen vluchtelingen

op te nemen. Klopt het dat de Syrische en

Jordaanse autoriteiten hulporganisaties geen toegang

verlenen tot hun grondgebied? Ziet de minister mogelijkheden

om met Syrië en Jordanië en wellicht met andere

landen in de regio gesprekken aan te knopen om erop

aan te dringen de hulporganisaties wel toe te laten? Dan

kunnen vluchtelingen de noodzakelijke hulp krijgen.

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. De heer Voordewind

zegt dat met instemming van de fractie van de Christen-

Unie toen politieke steun is gegeven. Zou de fractie toen

ook met militaire steun hebben ingestemd?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Mijn fractievoorzitter

heeft daar toentertijd wel over gesproken, maar er

geen oordeel over uitgesproken, omdat dat toen niet aan

de orde was en er meer informatie nodig zou zijn

geweest om die afweging te maken. Wij hebben toen

expliciet gesproken over een politieke steun, gezien

resolutie 1441 en de gebrekkige uitvoering daarvan.

De heer Pechtold (D66): Hoe zou de heer Voordewind

oordelen als nu of op een later moment alsnog blijkt dat

er wel militaire steun vanuit Nederland is geweest,

voorafgaand aan of op het moment van de voorbereidingen?

Hij heeft gezegd dat dit voor hem nog steeds niet is

aangetoond, maar hoe oordeelt hij als dat alsnog mocht

blijken?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Mij is altijd geleerd,

niet in te gaan op als-danvragen. Dat doe ik nu dus ook

niet.

De heer Pechtold (D66): Dat vind ik een dun antwoord,

want er zijn allerlei vermoedens van militaire aanwezigheid.

Ik heb er een reeks van vragen over gesteld. U gaat

er niet op in. U stelt terecht wel vragen over de huidige

situatie. Het zou ook aardig zijn om daar iets over te

horen. Wij kijken nu evenwel terug om vooruit te kunnen

kijken. Als dadelijk uit het antwoord blijkt dat er sprake is

geweest van militaire aanwezigheid, hoe duidt u dat

dan?

De heer Voordewind (ChristenUnie): U spreekt terecht

over vermoedens. Ik heb de programma’s ook gezien.

Die overtuigden mij er niet van dat Nederland wel

militair betrokken is geweest bij die oorlog. Ik heb netjes

de brief afgewacht die wij op 2 april hebben gekregen.

Daarin wordt klip en klaar bevestigd dat er, zoals in

voorgaande jaren in debatten is gemeld, geen militaire

steun is verleend. Ik zie geen reden om ons standpunt te

wijzigen.

De voorzitter: Een korte laatste interruptie, mijnheer

Pechtold.

De heer Pechtold (D66): Dank, voorzitter. Hoe duidt de

heer Voordewind het dat vanuit de Defensieorganisatie

waarvoor zijn minister nu verantwoordelijk is, door een

belangrijk iemand als oud-opperbevelhebber Couzy de

uitspraak is gedaan dat het onbestaanbaar is dat er geen

onderzoek komt?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik sta hier niet om

de heer Couzy ter verantwoording te roepen of hem

vragen te stellen. Ik heb te maken met een regering met

ministers. Goed dat de brief van 2 april er is gekomen.

Net als de heer Van Baalen zeg ik dat ik vertrouwen heb

in dit kabinet. Ik heb vertrouwen in de ministers. Als de

ministers klip en klaar in de brief van 2 april aangeven

dat er absoluut geen militaire betrokkenheid is geweest,

heb ik geen reden om mijn standpunt te wijzigen. Ook

niet naar aanleiding van de andere uitzendingen en de

informatie die u vermoedens noemt.

De heer Pechtold (D66): Dit is geen antwoord op mijn

vraag.

De voorzitter: U hebt al vier keer de gelegenheid gehad

om de heer Voordewind te interrumperen.

De heer Pechtold (D66): Ik vroeg specifiek naar Couzy,

een voormalige bevelhebber, iemand die de afgelopen

jaren verantwoordelijk was en ...

De voorzitter: Ik heb uw vraag gehoord en de heer

Voordewind ook. U hebt volgens mij een antwoord van

hem gehad.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Nogmaals, ik heb

te maken met een regering, een kabinet en ministers. Die

kan ik als parlementariër ter verantwoording roepen. Ik

heb de brief van 2 april gehad. Ik ben geïnteresseerd in

wat er verder te melden valt in de termijn van de Kamer

Voordewind

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3221

en in die van het kabinet, maar vooralsnog zie ik geen

reden om een ander standpunt in te nemen.

©

De heer Van Dam (PvdA): Mevrouw de voorzitter. Iets

meer dan vijf jaar geleden sprak de Amerikaanse

president Bush in zijn State of the Union over de as van

het kwaad, de schurkenstaten Irak, Iran en Noord-Korea.

Het was de opmaat tot een proces dat ogenschijnlijk

onafwendbaar op oorlog leek af te stevenen, oorlog met

Irak. De Amerikanen vonden na 11 september de

dreiging van het Irakese regime en de combinatie met de

mogelijke aanwezigheid van massavernietigingswapens

te groot en bepleitten ontwapening en verandering van

het regime. Daarvoor was, in elk geval op dat moment,

onvoldoende steun bij de internationale gemeenschap.

Men vond niet dat een aanval op Irak te legitimeren was

op basis van de aanslagen van 11 september of op basis

van de overwegingen van de Amerikanen.

Er werd dus een traject ingezet via de Veiligheidsraad:

de terugkeer van de wapeninspecteurs. Wie op het

proces terugkijkt, moet de indruk hebben dat het traject

via de Veiligheidsraad één grote maskerade was, een

spel met de wereld inclusief de eigen bondgenoten, om

uiteindelijk op oorlog uit te komen. Mijn fractie had al in

2002 de nodige twijfels bij de Amerikaanse bedoelingen.

Mijn voormalige collega Bert Koenders heeft zich in deze

Kamer gedurende 2002 herhaaldelijk verzet tegen wat hij

noemde de oorlogslogica van de Amerikanen. Natuurlijk,

er was na het beëindigen van de wapeninspecties in

1998 nog de nodige onduidelijkheid over het Irakese

wapenprogramma. Natuurlijk, de wapeninspecteurs

moesten terug naar Irak, maar zij hadden serieus hun

werk moeten kunnen doen en zij hadden niet gebruikt

mogen worden als cover up voor een geplande oorlog.

En dat is in de ogen van mijn fractie wat er achteraf

gezien is gebeurd. Helaas heeft de toenmalige Nederlandse

regering destijds de Amerikanen steeds gesteund.

Vanaf het begin heeft de toenmalige regering betoogd

dat er al voldoende mandaat was voor het gebruik van

geweld tegen Irak. Mijn fractie heeft zich daar steeds

tegen verzet.

In januari 2003 stelden Koenders en De Graaf een

motie voor waarin het traject wat ons betreft werd

geschetst: de wapeninspecteurs moesten hun werk

kunnen doen, moesten daar ook meer tijd voor krijgen

en moesten hun bevindingen rapporteren aan de

Veiligheidsraad die zich in de openbaarheid zou moeten

buigen over eventuele bewijzen. Het was ook aan de

Veiligheidsraad om te beslissen over verdergaande

stappen. Die motie heeft het niet gehaald en dat leidde

ertoe dat de toenmalige regering op 18 maart 2003 aan

de Kamer liet weten, de op handen zijnde aanval van de

Amerikanen de Britten politiek te steunen, maar gelukkig

niet militair.

Voorzitter. Ook na vier jaar wil ik er geen misverstand

over laten bestaan: mijn fractie vond en vindt dat de

oorlog niet had mogen beginnen en dat Nederland de

Amerikanen en de Britten niet politiek had mogen

steunen. Er was geen bewijs voor een acute dreiging van

Irak, het onderzoek van de wapeninspecteurs naar de

aanwezigheid van massavernietigingswapens was nog

niet afgerond en in die situatie had alleen de Veiligheidsraad

het recht om de naleving van zijn eigen resoluties

door middel van geweld af te dwingen. De redeneerlijn

van de toenmalige Nederlandse regering was derhalve

niet alleen juridisch maar wat ons betreft ook politiek

zeer discutabel en wekte ook toen al in de ogen van mijn

fractie de indruk dat die slechts gezocht was om steun

aan de Amerikanen te kunnen verlenen. De politieke

steun die Nederland uitsprak is achteraf gezien extra

wrang toen de afgelopen jaren berichten naar buiten

kwamen dat er ook binnen de Nederlandse overheid

twijfels waren aan de juridische basis voor de oorlog en

twijfels over de Amerikaanse en Britse claims ten aanzien

van de aanwezigheid van massavernietigingswapens. De

toenmalige regering heeft die twijfels kennelijk gewogen

en desondanks gekozen voor steun aan de Amerikanen.

Om lessen te trekken voor de toekomst hebben wij de

afgelopen jaren gepleit voor een onderzoek naar de wijze

waarop de besluitvorming in die tijd tot stand is

gekomen. Wat wist Nederland en waarom werden

desondanks de Amerikanen gesteund? U kent de afloop:

geen Kamermeerderheid voor de verkiezingen, geen

Kamermeerderheid na de verkiezingen en ook niet gelukt

in de formatie. Dat is de situatie zoals die is en daar

komt deze periode ook geen verandering in.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. In welke glazen

bol heeft de heer Van Dam gekeken als hij nu al weet dat

daar in deze periode geen verandering in komt? Is het

niet denkbaar dat er nog zodanige informatie boven tafel

komt – het lijkt wel of Plein 4, het ministerie van

Defensie, zo lek is als een mandje – dat er alsnog een

meerderheid ontstaat voor een onderzoek of kan hij zich

dat niet voorstellen?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij is die discussie

ook gevoerd in het debat over de regeringsverklaring. De

heer Van Bommel weet precies wat is afgesproken, maar

ook dat als er echt nieuwe feiten op tafel komen, de

Kamer die hoort te wegen en op dat moment zullen ook

wij dat zeker doen!

De heer Van Bommel (SP): Maar dan trekt u uw

uitspraak van twee minuten geleden, namelijk dat die

meerderheid er ook in de komende periode niet komt,

weer in twijfel of eigenlijk helemaal in. U zegt nu dat het

wel mogelijk is, maar dat dan op dat moment moet

worden bepaald op basis van de informatie die dan op

tafel ligt.

De heer Van Dam (PvdA): Ik begrijp dat u mijn tekst niet

mee kan lezen, maar ik wil het wel herhalen. Er staat

namelijk dat er geen Kamermeerderheid was voor de

verkiezingen, geen Kamermeerderheid na de verkiezingen,

dat het ook in de formatie niet is gelukt en dat daar

geen verandering in komt.

De heer Van Bommel (SP): Het gaat mij om het laatste

zinnetje, namelijk dat daar geen verandering in komt!

Daarmee doet u een uitspraak over de toekomst.

De heer Van Dam (PvdA): Laat ik dan voor alle

helderheid zeggen dat er geen verandering komt in het

feit dat het is afgesproken in de formatie! Dat is toch

glashelder?

De heer Van Bommel (SP): Daarmee bedoelt u dus dat

er de komende vier jaar, of in ieder geval zo lang dit

kabinet er zit, geen onderzoek naar Irak komt?

Voordewind

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3222

De heer Van Dam (PvdA): Het wordt een herhaling van

het debat over de regeringsverklaring, want het is toen

ook allemaal al gewisseld dat het zo is afgesproken!

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Dat betekent dus dat,

ook als wij vandaag alsnog nieuwe feiten krijgen of als er

de komende tijd nieuwe zaken komen, de PvdA zich

angstvallig vasthoudt aan een in Beetsterzwaag door zes

heren gemaakte afspraak. De heer Van Dam zei net dat ik

een wat grote broek aantrok ten opzichte van het

verleden. Heeft hij zijn broek niet uitgetrokken en staat

hij hier niet in zijn hemd? Hij zal toch moeten erkennen

dat het aantal vragen dat nu voorligt een zodanige

omvang heeft dat niet staande kan worden gehouden dat

de hoge toon, de afgelopen jaren in motie op motie

aangegeven, nu niet meer nodig is? Of heeft hij

antwoorden op alle vragen die ik zojuist heb gesteld?

De heer Van Dam (PvdA): Je moet wel lef hebben om

een paar jaar lang deel uit te maken van de regering, het

regeringsstandpunt over politieke steun voor de aanval

op Irak te hebben gesteund, steeds weer het verzoek van

de Kamer om een onderzoek af te wijzen, nee te

antwoorden op de vraag of je dit aan de orde hebt

gesteld toen je minister was, en dan nu met dit soort

verwijten te komen.

De heer Pechtold (D66): Dit is geschiedvervalsing. In

tegenstelling tot de PvdA-fractie heeft de fractie van D66

schone handen in het Irak-dossier. Wij hebben namelijk

nooit de oorlog gesteund. De politieke steun kwam naar

voren toen de fractie van de Partij van de Arbeid in 2003

in het kabinet dreigde te komen. D66 heeft dit altijd

vrijgehouden bij de onderhandelingen. Daarom zijn de

meeste moties door ons ondertekend, dan wel door ons

ingediend om een antwoord op deze onderzoeksvragen

te krijgen. Sinds ons vertrek uit het kabinet en het begin

van het nieuwe kabinet met de Partij van de Arbeid komt

er iedere week meer informatie beschikbaar. De

Amerikanen, Engelsen en anderen hebben onderzoek

gedaan, maar de Partij van Arbeid onthoudt het

parlement zijn democratisch recht om dat te doen.

Waarom? Heeft de heer Van Dam een antwoord op alle

vragen die ik in eerste termijn heb gesteld?

De heer Van Dam (PvdA): De heer Pechtold zegt dat wij

de Kamer een democratisch recht onthouden. Wij

hebben in de formatie geprobeerd om een Kamermeerderheid

die tegen een onderzoek naar de besluitvorming

over Irak was, aan de kant te schuiven en langs die

weg alsnog een onderzoek te krijgen. Als de heer

Pechtold het wegschuiven van een meerderheid

democratisch vindt en het maken van afspraken en het

accepteren van de situatie in de Kamer ondemocratisch,

dan hebben wij een verschillende visie op democratie.

De heer Pechtold (D66): Het komt uiteindelijk neer op

een vraag: welk argument van de onderhandelaars

namens de Partij van de Arbeid heeft de fractie

overtuigd?

De heer Van Dam (PvdA): Dat mag helder zijn. Als wij

deelname aan het kabinet hadden afgewezen, was er nog

steeds geen onderzoek naar de besluitvorming over Irak.

Door wel aan het kabinet deel te nemen, kunnen wij in

ieder geval voorkomen dat het in de toekomst weer op

deze manier gaat en dat zullen wij dan ook doen.

De heer Pechtold (D66): Dit is geen antwoord op mijn

vraag. Ik vroeg heel duidelijk naar het argument. Dit hele

debat heeft pas zin als wij de vragen beantwoorden die

nu worden gesteld. Ik vraag aan de heer Van Dam wat

het argument was. De inzet van geld voor wijken of voor

onderwijs kan om moverende redenen worden afgewezen,

maar als de Partij van de Arbeid jaar in jaar uit

vraagt om een onderzoek, moet er toch een dringende

reden zijn geweest waarom zij zich zo door de pomp

heeft laten trekken.

De heer Van Dam (PvdA): Ik kan nu de woorden van

mijn fractievoorzitter tijdens het debat over de regeringsverklaring

citeren, maar dat is een herhaling van zetten.

De heer Pechtold vroeg om een argument en dat heeft

hij nu: de keuze was deelnemen aan het kabinet, ja of

nee. Daar hoorde deze afspraak bij. De keuze om niet

deel te nemen zou ook niet tot een onderzoek hebben

geleid, maar de keuze om wel deel te nemen leidt ertoe

dat de situatie in de toekomst anders zal zijn. Dit is een

antwoord op de vraag van de heer Pechtold, maar als hij

wil weten hoe de besluitvorming in mijn fractie is

verlopen, moet hij zich aanmelden als lid.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Zegt de heer Van Dam

nu dat het CDA de totstandkoming van deze regering

afhankelijk heeft gemaakt van het onderzoek naar Irak?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij is dit allemaal

gewisseld in het debat over de regeringsverklaring.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Wil de heer Van Dam

antwoorden op mijn vraag?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij heeft de heer

Tichelaar toen gezegd dat dit zo is.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het CDA heeft dus

welbewust een regering willen riskeren op dit enige,

enkele onderwerp? Het CDA is dus schijnbaar zo bang

dat er een onderzoek komt naar Irak, dat het bereid is om

daarvoor een regering te boycotten.

De heer Van Dam (PvdA): Mevrouw Halsema moet die

vragen niet aan mij stellen. Ik wil wel zeggen dat ik het

volstrekt normaal vind dat er tijdens een kabinetsformatie

afspraken worden gemaakt, ook over het stemgedrag

van fracties in de Kamer. Dit gebeurt op allerlei onderwerpen.

Het is bekend dat het CDA in de afgelopen jaren

bijvoorbeeld geen voorstander was de voorstellen voor

de WAO die in het regeerakkoord zijn opgenomen en dat

het CDA een andere lijn heeft gekozen in de internationale

politiek. Daarover zijn dus ook afspraken gemaakt.

Zo gaat het altijd bij een formatie.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voor de positie van de

Partij van de Arbeid is cruciaal of haar het mes op de

keel is gezet of dat zij dit gewoon heeft ingewisseld

tegen andere onderwerpen. Hoe sterk was dit argument,

hoe zwaar heeft het gewogen? Het is mij niet duidelijk of

de Partij van de Arbeid halverwege de formatie heeft

gezegd: wij ruilen dit in voor een paar andere onderwerpen,

of dat zij geen ander alternatief had.

Van Dam

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3223

De heer Van Dam (PvdA): Misschien moet mevrouw

Halsema het verslag van het debat over de regeringsverklaring

nog eens nalezen. Volgens mij was dat debat hier

volstrekt helder over. Je kunt alle vragen opnieuw gaan

stellen, natuurlijk snap ik hoe het hier werkt. Zo kun je

vier jaar lang steeds hetzelfde debat voeren.

Journalisten spitten nu in het verleden en dat is hun

goed recht. Maar in de uitzendingen van Argos en

Reporter heb ik, als ik heel eerlijk ben, weinig kunnen

ontdekken wat een nieuw licht op de zaken werpt; het

waren de zaken die we al wisten, waarover herhaaldelijk

in deze Kamer is gedebatteerd en waarover alle fracties

de bekende standpunten hebben ingenomen. Ik houd

echter, ook na de brief van het kabinet en de beantwoording

van de vragen van collega Pechtold, één vraag over

die nog niet eerder aan de orde is geweest in deze

Kamer. Het kabinet antwoordt aan collega Pechtold dat er

geen sprake is geweest van betrokkenheid van Nederlandse

militairen bij de inval in Irak of de voorbereidingen

daarop. Dat lijkt een helder antwoord, maar toch heb

ik de behoefte om de vraag scherper te stellen. Argos zal

zijn werk ongetwijfeld goed hebben gedaan, maar

beweringen zijn nog geen bewijzen. Ik vraag absolute

duidelijkheid van de minister-president en van de

minister van Defensie over het volgende: zijn er tussen

20 maart 2003, het begin van de oorlog in Irak, en 22 mei

2003, het moment dat de VN-resolutie over de wederopbouw

en de stabilisatie van Irak werd aangenomen,

Nederlandse militairen op of boven Iraaks grondgebied

aanwezig geweest?

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Ik stelde zojuist een

vergelijkbare vraag. Het kabinet spreekt over ’’eenheden’’,

maar laten we het maar over ’’manschappen’’

hebben. Ikzelf had het over manschappen ’’onder welke

vlag dan ook’’. Zou ik de vraag van de heer Van Dam,

met zijn toestemming, mogen uitbreiden met de periode

daarvóór, dus de voorbereidingsperiode? En zou ik bij

zijn ’’op of boven’’ Irak ook het watergebied mogen

betrekken? Dat is misschien interessant vanwege de

Walrus en de begeleiding van de Amerikaanse fregatten.

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij heeft de heer

Pechtold het volste recht om elke vraag die hij wil aan de

regering te stellen.

De heer Pechtold (D66): Ik zou het prettig vinden om dat

ook namens u te doen, omdat ik dan samen met u

consequenties uit het antwoord kan trekken.

De heer Van Dam (PvdA): Ik begrijp dat u graag namens

een fractie van 33 leden zou willen spreken, maar zo

werkt het hier niet.

De heer Pechtold (D66): Zo komen we steeds meer naar

elkaar toe!

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Wil de heer Van

Dam ook antwoord op die vraag hebben als het om een

geheime missie ging?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij is in deze Kamer

op 18 maart 2003 heel duidelijk gesproken over de

Nederlandse betrokkenheid bij de aanval op Irak. De

uitspraak van het kabinet destijds was glashelder: slechts

politieke steun, geen militaire. Dat betekent in mijn ogen

dat er geen militairen op of boven Iraaks grondgebied

aanwezig kunnen zijn geweest in de periode die ik net

noemde. Ik ga er ook van uit dat dit niet het geval was,

maar omdat hierover onduidelijkheid wordt geschapen,

wil ik hier een duidelijk antwoord op van de ministerpresident.

De heer Van Bommel (SP): Ten aanzien van geheime

missies is in 2000 een bepaalde procedure afgesproken,

waarbij de regering de Kamer niet hoeft te informeren

tijdens de missie en als de missie is afgelopen, zo

spoedig mogelijk. Eventueel kan dit ook via de commissie

voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Ik

herhaal mijn vraag: wilt u ook geïnformeerd worden over

een missie in of boven Irak als dit een geheime missie

betreft?

De heer Van Dam (PvdA): Ik ken die afspraken, maar

rondom Irak is er een duidelijke afspraak met de Kamer

geweest: geen militaire steun. Dat houdt ook in: geen

geheime missies. Ik ga ervan uit dat we hierop een

helder antwoord van het kabinet zullen krijgen.

Toen de Amerikanen de oorlog in Irak begonnen,

wisten ze hoe ze die oorlog moesten winnen. Maar

vandaag mag je stellen dat ze volstrekt onvoldoende

hebben nagedacht over het winnen van de vrede.

Tienduizenden, mogelijk honderdduizenden slachtoffers

zijn het gevolg. Het herstel van de vrede, veiligheid en

stabiliteit is helaas nog lang niet in zicht, ondanks de

inspanningen die na mei 2003 onder VN-mandaat zijn

gedaan, ook met behulp van Nederlandse militairen. De

situatie lijkt de laatste tijd alleen maar meer uit de hand

te lopen. De Amerikaanse strategie voor het herstel van

de rust en stabiliteit na de oorlog is jammerlijk mislukt.

Desondanks blijft Bush dezelfde strategie volgen, met

nog meer militairen. De Amerikanen zijn kennelijk van

mening dat je rust en stabiliteit met geweld moet

afdwingen. Het sektarische geweld laat zich niet

beëindigen met militair machtsvertoon, zeker niet

wanneer een Iraakse minister zelf partij lijkt te zijn, zoals

onlangs bleek uit een documentaire van Channel 4. Er is

een politieke oplossing nodig, waarbij de inzet van

machtige buren in de regio, zoals Iran en Syrië onmisbaar

is. De voorzichtige ambtelijke contacten moeten

worden gevolgd door politieke contacten. Ik vraag de

Nederlandse regering, daar bilateraal en in EU-verband

op aan te sturen. Uiteraard is de oplopende spanning

rond Iran een complicerende factor. Er lijkt een pad

ingeslagen te zijn waarbij Iran koste wat het kost moet

buigen voor de internationale gemeenschap. Als dat niet

gebeurt, dan hebben de Verenigde Staten in de woorden

van de Amerikaanse vicepresident Cheney alle opties

’’on the table’’. Als wij iets kunnen leren van vijf jaar

geleden, is het dat dergelijke uitspraken geen loze

woorden zijn. Menigeen houdt al rekening met de

mogelijkheid van een luchtaanval om de Iraanse

installaties met geweld te ontmantelen als de diplomatieke

weg niet tot resultaat leidt.

Vijf jaar geleden leidde soortgelijke logica tot een

proces waarin in deze Kamer stap voor stap werd bezien

welke vervolgstappen zouden moeten worden gezet.

Vanzelfsprekend hoop ik van harte dat het deze keer

anders gaat lopen, maar ik wil nu ook tijdig duidelijk

maken wat naar de mening van mijn fractie de positie

van de Nederlandse regering zou moeten zijn. Wij zijn

niet in dit kabinet gestapt om een herhaling van

Van Dam

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3224

2002/2003 mee te maken. In het geval van Iran is er geen

sprake van een acute dreiging; ik verwijs naar uitspraken

van de heer ElBaradei. Deze keer kan er geen misverstand

over bestaan dat er van een preventieve aanval

buiten de VN om geen sprake kan zijn. Ik neem aan dat

de regering dit standpunt onderschrijft en in de

diplomatieke betrekkingen met de VS duidelijk zal maken

dat de afloop van deze situatie geen preventieve aanval

zonder expliciet VN-mandaat kan zijn. Ik hoop de reactie

van het kabinet hierop te mogen horen.

Van vijf jaar geleden kunnen wij leren dat wij beter

tijdig kunnen anticiperen op de mogelijke verkeerde

afloop van een dergelijk conflict, maar nogmaals, ik hoop

dat het zover niet gaat komen. Alle diplomatieke

mogelijkheden moeten worden benut. Daarbij behoren

serieuze gesprekken met Iraniërs, waarin ook gesproken

wordt over hun veiligheidszorgen. Ik begrijp alle

bedenkingen over het Iraanse regime heel goed, maar

wanneer de VS en anderen steeds hun bedenkingen

uiten over dat regime en duidelijk laten merken, eigenlijk

een ander regime te wensen, mag het geen verbazing

wekken dat de Iraniërs zich zorgen maken over hun

veiligheid. De rol die Iran in de regio speelt is ontzettend

relevant. Iran beïnvloedt de situatie in Israël, in Libanon

en in Irak. Voor de stabiliteit in de regio is een confrontatie

met Iran allesbehalve wenselijk. Het aangaan van

onderhandelingen met Iran, waarbij er ook aandacht is

voor zijn veiligheidszorgen en de vraag, hoe om te gaan

met het kernenergieprogramma, lijkt de enige vreedzame

uitweg uit het conflict en waarschijnlijk de enige weg in

de richting van een stabiele situatie in de regio, niet in

de laatste plaats in Irak. Ik hoor graag van de minister

van Buitenlandse Zaken welke diplomatieke wegen hij

ziet. Ook hoor ik graag van hem hoe zijn kwalificatie van

de Iraanse regering als ’’plegers van staatsterrorisme’’

bijdraagt tot het dichterbij brengen van een diplomatieke

oplossing. Ook de minister begrijpt dat de situatie rond

de Britse mariniers alles te maken heeft met het conflict

over de nucleaire installaties van Iran. Voor de toekomst

van Irak en voor de regio is een vreedzame oplossing

van het conflict met Iran noodzakelijk. Laat dat dan in elk

geval de les zijn die wij hebben geleerd van de oorlog in

Irak.

De heer Van Baalen (VVD): De voorganger van de heer

Van Dam als buitenlandwoordvoerder van de PvdA, de

heer Koenders, heeft vele jaren twijfel geuit over het

correct informeren door de regering van de Kamer op dit

gebied. De heer Koenders is nu lid van het kabinet en

draagt mede verantwoordelijkheid voor de brief die op

2 april naar de Kamer is gestuurd, waarin het huidige

kabinet heel duidelijk stelt dat naar zijn oordeel de Kamer

correct is geïnformeerd over de besluitvorming door het

toenmalige kabinet. De PvdA moet nu ook duidelijkheid

scheppen. Deelt de fractie van de PvdA bij monde van

deze woordvoerder deze heldere conclusie van deze

regering, waaraan ook de PvdA deelneemt?

De heer Van Dam (PvdA): Ik heb op dit moment geen

informatie die leidt tot een andere conclusie.

De heer Van Baalen (VVD): Uw conclusie is dus dat de

Kamer steeds ordentelijk is geïnformeerd?

De heer Van Dam (PvdA): Ik heb de afgelopen dagen het

hele dossier uitvoerig doorgenomen. Ik kan daarin geen

punten ontdekken op basis van de informatie die nu

bekend is, welke zouden leiden tot de conclusie dat de

Kamer onjuist of onvolledig is geïnformeerd.

De heer Van Baalen (VVD): Betekent dit dat u daarmee

de discussie sluit, op basis van de informatie die u thans

hebt?

De heer Van Dam (PvdA): Ik denk dat u dat zo juist hebt

geformuleerd.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Kunt u met betrekking tot

Iran uitleggen wat u verstaat onder een acute dreiging?

De heer Van Dam (PvdA): De heer ElBaradei zegt dat de

productie van een kernwapen in Iraanse handen nog

zeker vijf jaar weg is. Dat noem ik geen acute dreiging.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Ik wil wel even zeggen dat

wij hierover van mening verschillen.

De heer Van Dam (PvdA): Ik kan mij niet voorstellen dat

wij van mening verschillen over de vraag of een termijn

van vijf jaar wel of niet acuut is.

Mevrouw Van Gennip (CDA): De rol die Iran in de regio

speelt, de invloed die Iran uitoefent op zijn buurlanden

en de manier waarop Iran interactie heeft met politici uit

andere landen, dat wordt door de buurlanden niet als

niet-bedreigend ervaren.

De voorzitter: De bedoeling is dat u een vraag stelt.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Dat begrijp ik. Dit was

mijn inleiding tot de vraag. Daarmee baseer ik dus de

definitie van acute dreiging niet per se alleen maar op

een tijdslimiet. En mijn vraag is of u het daarmee eens

bent.

De heer Van Dam (PvdA): Er is een groot verschil tussen

ontwikkelingen als bedreigend ervaren en de vraag of die

ontwikkelingen daadwerkelijk een acute dreiging zijn.

Laten wij leren van de manier waarop het is gegaan een

paar jaar geleden. Wat mij betreft, is de enige goede

uitweg uit het conflict rond Iran een vreedzame uitweg.

Laten wij daar ook naar streven.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het is opvallend dat de

PvdA-fractie nu ook vindt dat zij al die jaren volledig is

geïnformeerd. Dat is in strijd met wat de heer Koenders

altijd heeft gezegd, en hij niet alleen. Ook de partijleider

van de PvdA heeft het gezegd. Hij heeft zelfs publiekelijk

een verzoek ingediend bij de commissie voor de

Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten om informatie te

verzamelen over Irak, vanwege de onvolledige informatie

die de Kamer ontving. Zegt u nu achteraf dat ook dat

verzoek aan de commissie voor de Inlichtingen- en

Veiligheidsdiensten overbodig was en niet nodig?

De heer Van Dam (PvdA): Mevrouw Halsema moet

volgens mij goed onderscheid maken tussen de vraag of

er meer informatie is waar je in geïnteresseerd bent en

of de regering de plicht had om al die informatie aan de

Kamer te sturen. Die vraag gaat over de politieke

conclusie waar de heer Van Baalen mij een vraag over

stelde en mijn fractie heeft ook in het verleden nooit de

Van Dam

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3225

politieke conclusie getrokken dat de Kamer onjuist of

onvolledig was geïnformeerd.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Uw fractie had er in

ieder geval altijd heel grote zorgen over. Uw partijleider

had er heel grote zorgen over. De politieke conclusie is

nooit getrokken, omdat er nooit een onderzoek heeft

plaatsgevonden, zoals u weet. Maar begrijp ik het goed

dat u met terugwerkende kracht vindt dat eigenlijk zowel

de heer Koenders als uw partijleider geprobeerd heeft

om stenen op te lichten waar alleen maar zand onder

lag?

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Dat is een

onzinnige conclusie van mevrouw Halsema.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Deze wijze van

argumenteren kennen wij vooral van de heer Wilders. Ik

had zoiets nog niet eerder bij de PvdA-fractie beluisterd.

Zou u daar een argument bij kunnen geven? Ik confronteer

u alleen maar met de inconsistenties in uw eigen

fractie over de afgelopen jaren. U kunt wel zeggen dat dit

onzinnig is, maar legt u eens uit hoe u niet alleen van

opvatting verandert, maar ook uw nieuwsgierigheid in

een paar maanden volledig bent kwijtgeraakt en nu

eigenlijk vindt dat uzelf de afgelopen jaren onzinnig hebt

gehandeld.

De heer Van Dam (PvdA): Mijn fractie is niet haar

nieuwsgierigheid kwijtgeraakt. Dat hebben wij hier ook

uitdrukkelijk uiteengezet, alleen de politieke realiteit is

dat er noch voor, noch na de verkiezingen een meerderheid

was in deze Kamer om die nieuwsgierigheid te

bevredigen. Ik heb gezegd dat het via de formatie niet

gelukt is. Mijn fractie heeft geaccepteerd dat het zo is

gelopen en wij willen vooruit blikken en verder kijken.

Wij kunnen, met alle respect, deze Haagse discussie over

blijven doen, maar laten wij ook vooruitkijken en lessen

leren, om te beoordelen hoe de Nederlandse regering

om zou moeten gaan met de huidige situatie in het

Midden-Oosten. Volgens mij heeft de regio daar meer

aan.

De heer Pechtold (D66): Het is aandoenlijk, al die

gevoelens die de PvdA-fractie nu al vooruitwerpt naar

Iran. Ik ben blij dat het woord hypothetisch nog niet

gevallen is, maar het is van tweeën een. Of u zegt op

mijn eerdere interruptie: wij hebben het niet binnengehaald.

Dat zijn de woorden van partijleider Wouter Bos.

U kunt het argument niet noemen dat het CDA destijds

genoemd heeft, maar u kunt zeggen: wij hebben het niet

binnengehaald. Of u bent volledig geïnformeerd. Dan

liggen er geen vragen meer. Als het het een is, is het

gewoon een politieke nederlaag, is het het ander, dan

accepteert u dat de afgelopen jaren alle informatie is

gegeven en zou het u sieren of zelfs een dikke plus

opleveren als u een oordeel over het gedrag van de heer

Koenders en de heer Bos uitsprak.

De heer Van Dam (PvdA): Laat ik herhalen dat het de

heer Pechtold sowieso had gesierd als hij alle vragen die

hij vandaag heeft gesteld, de afgelopen jaren aan zijn

collega’s had gesteld.

Voor alle duidelijkheid: de heer Van Baalen vroeg mij

of ik op grond van de nu bekende informatie de politieke

conclusie trok dat de Kamer onjuist of onvolledig was

geïnformeerd. Dat doe ik niet. Dit is het antwoord dat ik

de heer Van Baalen heb gegeven.

De heer Van Baalen (VVD): Ik heb de brief van het

kabinet geciteerd, waar geestverwanten van uw fractie in

zitten. Daarin staat: wij hebben de Kamer in die periode

correct geïnformeerd. Bij het woord correct kun je aan

van alles denken, maar het blijft ’’correct’’. Neemt u die

conclusie over? U antwoordde ’’ja’’. Daar gaat het om. Ik

neem aan dat u daarbij blijft.

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij is de relatie

tussen kabinet en Kamer dat het kabinet het vertrouwen

van de Kamer geniet, tenzij het tegendeel wordt

aangetoond. De politieke conclusie van de Kamer is dus

altijd of zij op basis van de dan bekende informatie van

mening is dat zij juist of onjuist, volledig of onvolledig is

geïnformeerd. Op basis van de nu bekende informatie

kan ik niet anders dan de politieke conclusie trekken dat

er geen aanleiding is om te stellen dat de Kamer onjuist

of onvolledig is geïnformeerd.

De heer Pechtold (D66): Vanwaar dan de wens van de

PvdA tijdens de onderhandelingen om daar onderzoek

naar te doen?

De heer Van Dam (PvdA): Het debat over de vraag

waarom de PvdA die wens koesterde, is in het afgelopen

jaar een keer of negen, tien gevoerd. In de eerste plaats

koesterde de PvdA die wens om lering te trekken voor de

toekomst. Dat argument hebben wij steeds met elkaar

gedeeld. Misschien denkt de heer Pechtold hier vanwege

de veranderde politieke situatie ineens anders over, maar

de PvdA heeft om het onderzoek gevraagd om lering te

trekken met het oog op de toekomst. Begrijp mij niet

verkeerd, die behoefte had en heeft mijn fractie, maar u

weet hoe het is afgelopen. Toch kan de PvdA-fractie

lering trekken en met het kabinet afspraken maken over

de opstelling van de Nederlandse regering in toekomstige,

vergelijkbare situaties. Volgens mij heb ik

glashelder gemaakt hoe de Nederlandse regering zich in

de ogen van de PvdA-fractie moet opstellen.

De heer Pechtold (D66): Toekomstige situaties? De heer

Van Dam staat hier zijn tijd te vullen door alleen maar

over Iran te praten. Hij maakt opmerkingen over

ministers die uitspraken doen. Hij zegt dat het daarvoor

niet nodig is om terug te kijken. Ik vind dat ik daarom het

recht heb om te interrumperen.

De voorzitter: U vergist zich. U hebt geen recht om te

interrumperen, maar krijgt van mij al dan niet de

mogelijkheid om dat te doen. Die mogelijkheid heb ik u

niet gegeven. Ik sluit hiermee de inbreng van de heer

Van Dam af. Ik stel namelijk vast dat u steeds ongeveer

hetzelfde zegt, maar dan op een andere manier.

©

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Hans Couzy,

oud-bevelhebber van de landstrijdkrachten en voorzitter

van de Federatie van Nederlandse Officieren zei het zo:

’’Ik vind het onbestaanbaar dat premier Balkenende het

onderzoek naar de besluitvorming over Irak nog steeds

blokkeert. Ik begrijp dat hij bang is voor gezichtsverlies,

maar hij kan de waarheid niet blijven tegenhouden. Er

Van Dam

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3226

moet een onderzoek naar Irak komen.’’ Voormalig

CDA-premier Van Agt vindt dat ook. Ik hoop dat veel

prominenten hun oproep volgen. Couzy heeft in Nova

ook een oproep gedaan tot het doorbreken van de

afdekcultuur bij Defensie. Ik hoop dat ook die wordt

gevolgd, bij voorbeeld door veel leden van zijn vereniging,

leden die zaken over deze kwestie te melden

hebben. Deze man vindt kennelijk dat er een hoop

verborgen is. Hij zegt ook dat het kabinet op zijn minst

een belangrijk deel van de waarheid heeft verzwegen. Ik

hoop dat hij blijft spreken.

Sommige fracties gebruiken het debat van vandaag

om nog eens toe te lichten waarom zij jaren geleden

politieke steun aan de inval in Irak verleenden. Als dit het

doel is van dit debat, is het in mijn ogen zinloos, want

dat hoofdstuk is inderdaad gepasseerd. Daarover hoeven

wij het de komende honderd jaar niet meer te hebben,

zoals collega Wilders zei. Het zou onzinnig en overbodig

zijn om dat debat steeds over te doen. Dit debat dient te

gaan over de vraag of de regering de Kamer volledig en

juist heeft geïnformeerd over alle aspecten die aan de

politieke instemming kleefden en aan het daadwerkelijk

kunnen of niet kunnen verlenen van militaire steun.

Dergelijke vragen moeten worden beantwoord. In ieder

geval moeten ze worden gesteld. Ik stel vast dat een fors

aantal fracties eigenlijk niet eens toekomt aan het stellen

van die vragen. Men stelt liever vragen over Iran of over

andere kwesties. Dat is buitengewoon te betreuren.

De belangrijkste afspraak in de formatie staat niet in

het regeerakkoord, namelijk de afspraak dat er geen

parlementair onderzoek komt naar de Nederlandse steun

aan de inval in Irak. Zo wordt een van de belangrijkste

rechten van de Tweede Kamer – het recht om zelf

onderzoek te doen – onmogelijk gemaakt door een

afspraak van regeringspartijen. Het is heel bijzonder dat

een recht van de Kamer buiten werking wordt gesteld

doordat regeringspartijen afspreken dat daarvan geen

gebruik wordt gemaakt. Bij mijn weten is dat staatsrechtelijk

nog nooit voorgekomen. Ik vraag de regering om

hierop te reageren.

De minister-president erkende gisteren opnieuw in de

Eerste Kamer dat het beter zou zijn geweest als de

afspraken over de mogelijkheid van een onderzoek

schriftelijk waren vastgelegd. Ik deel die opvatting. Ik

nodig de minister-president dan ook uit om dat alsnog te

doen. Dan kennen wij namelijk precies de inhoud van die

afspraak, die wij nu alleen maar kennen doordat die

volmondig is erkend door de fractieleider van de PvdA

en door de minister-president. Ik wil graag de letterlijke

tekst kennen van die afspraak. Hierover zal toch echt wel

iets meer zijn gezegd dan dat dit onderzoek maar niet

moet worden gehouden. Ik vraag de minister-president

om deze afspraak precies op papier te zetten, zodat wij

de betekenis daarvan ook echt kunnen doorgronden.

Wat betekent deze afspraak voor de toekomst? Mag de

PvdA ook niet voor een dergelijk onderzoek stemmen

wanneer er wel belangrijke informatie naar buiten komt,

bijvoorbeeld uit de krijgsmacht? Wanneer wel blijkt dat

er militairen zijn die hun mond opendoen over militaire

betrokkenheid? Wanneer mensen bij ministeries wel

gaan praten? Ik kan mij zo voorstellen dat dit debat en de

uitspraken van bijvoorbeeld de oud-bevelhebber en van

oud-premier Van Agt leiden tot gewetensnood bij

betrokkenen. Ik roep hen op om te spreken.

De minister-president heeft in de Eerste Kamer gezegd

dat het coalitieakkoord fracties van de Tweede Kamer

bindt en dat de Eerste Kamer daarom vrij is om te

besluiten dat er wel een onderzoek komt. Vanzelfsprekend.

De Eerste Kamer kan dat natuurlijk zelfstandig

besluiten. Daar gaat de minister-president en daar gaan

de fracties in de Tweede Kamer niet over. Daarover staat

niets in het regeerakkoord en naar ik aanneem ook niet

in de afspraak die mondeling is gemaakt en waarvan ik

hoop dat wij die ook nog schriftelijk krijgen.

Belangrijker dan de constatering dat de Eerste Kamer

dit recht heeft, is het antwoord op de vraag of de

regering in dat geval dan wel zal meewerken. Gaan de

dossiers dan open? Gaan de ministeries dan open? Als

het antwoord op die vragen nee is, heeft dat recht van

de Eerste Kamer ook weinig te betekenen, want dan zal

er ook niets boven water komen.

Ik loop enkele punten langs, te weten de documenten

waarover het televisieprogramma Reporter beschikt, het

memorandum van 19 augustus 2002 met het verslag van

een brainstormsessie waarin de regering rekening houdt

met oorlog en waarbij er wordt gediscussieerd over een

juridische basis voor de oorlog. Ik noem ook het andere

document, de telex van de Nederlandse vertegenwoordiger

bij de Verenigde Naties over de verwachting dat het

oorlog wordt. De regering schrijft in haar brief dat het

televisieprogramma selectief citeert. Dat gebeurt altijd bij

citaten, anders zou men alles gewoon voorlezen.

Waarom mag de Kamer die documenten niet zien? Ik heb

ze mogen inzien van het televisieprogramma in kwestie,

maar waarom mag de Kamer dat niet, om zelf te kunnen

vaststellen of er wel of niet juist wordt geciteerd, dan wel

of er een onjuiste suggestie wordt gewekt?

Hoe zit het verder met de brainstormsessie van

9 augustus 2002? Toen ik in die maand schriftelijke

vragen stelde aan de toenmalige minister van Buitenlandse

Zaken over Amerikaanse plannen om Irak binnen

te vallen, zei de minister dat het voorbarig was om in te

gaan op een hypothetisch scenario. Op hetzelfde

moment dat dit antwoord naar de Kamer kwam, op

19 augustus, is er op het ministerie dus al over deze

’’hypothetische mogelijkheid’’ en over de juridische

legitimatie gediscussieerd en zijn daarover al hardop

vragen gesteld. Dan zijn de vragen van mij op 19 augustus

toch onjuist beantwoord? Het was immers niet

voorbarig en hypothetisch. Waarom gaat u daarop niet in

in de brief van 2 april? De regering was met de hypothetische

mogelijkheid wel bezig en u hebt dit op dat

moment voor de Kamer verzwegen. Waarom erkent u dit

niet?

Ik kom op de brief van de Amerikanen van november

2002. Ook deze brief heb ik mogen zien. Waarom houdt u

die brief geheim? U zult verder toch wel schriftelijk

gereageerd hebben op die brief? Mogen wij het

antwoord zien? Dat lijkt mij hoogst relevant, ook bij de

beoordeling van uw opmerking dat het niet ging om een

verzoek en dat de wapens die genoemd werden,

gevechtsvliegtuigen, F-16’s, Apache-gevechtshelikopters

en ander wapentuig, een illustratie waren. Die waren

geen illustratie maar een inventarisatie. De Amerikanen

wilden op dat moment van Nederland weten of wij

eventueel bereid waren deze wapens in te zetten, met

andere woorden of wij ook in een vroeg stadium wilden

deelnemen aan het militaire deel van de oorlog. De

wapens die werden genoemd, zijn namelijk wapens die

je in een vroeg stadium van een conflict inzet. Daarover

hebt u de Kamer helemaal niets gezegd. U informeert de

Kamer wel over het eerste deel van het verzoek; u zei

Van Bommel

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3227

daarover dat de regering daartegenover in beginsel

positief stond. Het kan niet anders dan dat het tweede

deel wel in het kabinet is besproken, want uiteraard hebt

u deze brief van de Amerikanen in zijn geheel besproken.

U zult immers niet het tweede deel hebben weggelaten

omdat dat maar een illustratie was. U hebt kennelijk

besloten de Kamer niet te informeren over het tweede

deel. Toch is dit heel relevante informatie.

De heer Van Dam (PvdA): De fracties van de SP en de

PvdA hebben de afgelopen jaren op dit dossier samen

opgetrokken. Wij hebben dat altijd op grond van zuivere

argumenten gedaan. Het lijkt mij goed dat nu te blijven

doen. Ik citeer de brief van het kabinet aan de Kamer van

21 november 2002: ’’Met het oog op het opvoeren van de

druk hebben de Verenigde Staten een verzoek gericht

aan de Nederlandse regering om bij te dragen aan de

planning ten behoeve van een mogelijk militair optreden.’’

Hierbij is toch geen woord Spaans?

De heer Van Bommel (SP): Dat klopt. Daarom is het zo

moeilijk te begrijpen dat de regering nu stelt dat het

tweede deel van de brief geen verzoek betrof. Dat vond

zij een paar jaar geleden wel, maar nu stelt ze dat het

geen verzoek was. Dat doet ze, omdat de brief in beeld

werd gebracht, de brief die wij nog steeds niet mogen

zien. De regering zei dus eerst dat er wel een verzoek

was gedaan, maar dat ze dat tweede deel van het

verzoek had afgewezen. Nu zegt ze dat dit deel geen

verzoek was, maar een illustratie. Dat klopt dus niet.

Daarover moet de regering helderheid verschaffen. Zij

heeft de Kamer alleen over het eerste deel van de brief

van de Amerikanen geïnformeerd. Zij heeft dus de Kamer

belangrijke en concrete informatie onthouden.

Ik kom op de bewering van het radioprogramma

Argos. Daarin wordt gesproken over de inzet van

F-16-gevechtsvliegtuigen boven Irak en de inzet van

speciale eenheden in Irak. Dat zijn ernstige beschuldigingen.

De mensen van Argos zeggen dat zij getuigen

hebben gesproken. De regering zegt: dat is niet waar, dat

kan niet. Waarom laat u welk radio- of televisieprogramma

dan ook ongestraft zulke ernstige leugens over

u vertellen als u echt vindt dat ze niet waar zijn? Waarom

laat u dat gebeuren? Als u stelt dat het niet waar is,

waarom laat u deze leugens dan zomaar gezegd worden?

U schrijft er een briefje over aan de Kamer, maar verder

houdt u uw mond. Voor een foto van het gezin van de

vicepremier wordt een gang naar de rechter overwogen,

maar over dergelijke laster die de Nederlandse regering

en de Nederlandse krijgsmacht betreft, haalt u achteloos

uw schouders op. Dat komt hoogst ongeloofwaardig

over. Of er moet wel iets zijn gebeurd, maar wij mogen

dat niet weten. Zijn er misschien geheime militaire

operaties geweest, zoals die staan beschreven in de brief

van 23 augustus 2000? Het kan dan bijvoorbeeld gaan

om het verzamelen van bijzondere inlichtingen, of om

mililaire-steunverlening aan bondgenoten. Overeenkomstig

artikel 100 van de Grondwet wordt het parlement zo

spoedig mogelijk geïnformeerd over afzonderlijke

geheime operaties. Is de Kamer op de hoogte gesteld

van geheime operaties rond Irak? Is dat misschien de

inhoud geweest van de geheime bijeenkomst met de

commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten?

Waarom mogen de Kamer en het Nederlandse volk jaren

na dato hierover niet alles weten?

Ik rond af. VN-wapeninspecteur Scott Ritter zou de

Nederlandse inlichtingendienst hebben gemeld dat het

onwaarschijnlijk was dat Irak massavernietigingswapens

bezat. Is dat waar? Kan de regering dat bevestigen?

Toenmalig minister van Defensie Korthals twijfelde eind

2002 over de veronderstelling dat Irak massavernietigingswapens

bezat en vroeg de militaire inlichtingendienst

om een eigen oordeel. Is dat waar en wat was het

oordeel van de inlichtingendienst? Twijfelde de militaire

inlichtingendienst zelf over de bewering dat Irak binnen

45 minuten het westen kon aanvallen met massavernietigingswapens?

Waarom wordt de brief van Tony

Blair over dit onderwerp niet openbaar?

Tegen de minister-president die dit hele dossier erg

persoonlijk raakt, zou ik willen zeggen: dit onderwerp

gaat niet vanzelf weg door er niets over te zeggen. Dit

onderwerp staat op de politieke agenda en blijft daarop

staan totdat alle vragen zijn beantwoord. Erger voor de

minister-president: niet alleen op de politieke agenda,

maar ook uitdrukkelijk op de publieke agenda. Nederland

en de Nederlanders willen openheid over Irak, nu!

©

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. Nederland is in

oorlog, maar dat lijkt de Nederlandse burgers niet aan te

mogen gaan. Er mag geen parlementair onderzoek

komen naar de omstandigheden waaronder Nederland

heeft besloten mee ten strijde te trekken in Irak. Zelfs de

PvdA die steeds heeft gesteld dat de onderste steen

boven zou moeten komen in dit dossier, heeft dat

uitgangspunt uit handen laten vallen in de coalitieonderhandelingen.

Het is onbegrijpelijk dat een

dergelijke kwestie van leven en dood door een coalitie

van PvdA, CDA en ChristenUnie onder het tapijt wordt

geveegd.

Overal ter wereld wordt onderzoek gedaan naar de

rechtvaardiging van de oorlog in Irak, de omstandigheden

waaronder die is aangevangen en de politieke

verantwoordelijkheid voor de deelname aan de oorlog, in

de VS, in Groot-Brittannië, maar niet in Nederland. De

PvdD vindt dat onbegrijpelijk en onacceptabel. De

afstand tussen burger en politiek kan alleen maar groter

worden wanneer de politiek geen openbare verantwoording

wil afleggen of durft af te leggen van haar daden,

zeker waar dat het voeren van een oorlog betreft. Dus

moet het onderzoek noodgedwongen worden overgelaten

aan onderzoeksjournalisten van programma’s als

Argos en Reporter en volstaat het kabinet in zijn brief

aan de Kamer met het weerspreken van de uitkomsten

van de programma’s op punten en komma’s. Het is een

brief vol verhullend taalgebruik.

De PvdD vindt dat een beschamende vertoning. Niets

vraagt zo’n nadrukkelijke transparantie als vraagstukken

van oorlog en vrede, het aangaan van bondgenootschappen

tot het voeren van een gezamenlijke oorlog en de

legitimatie van een dergelijke oorlog, niet alleen

vanwege de oorlog in Irak, maar ook vanwege andere

oorlogen waarbij Nederland betrokken is, zoals in

Afghanistan. Veel burgers kunnen maar geen goed beeld

krijgen van de vraag of er sprake is van een zogenaamde

opbouwmissie of van een daadwerkelijke oorlog. Het

heeft er alle schijn van dat wat wordt verkocht als

opbouw in werkelijkheid niet veel anders is dan wat wij

vroeger oorlog noemden. Wij hebben eerder eufemismen

voor het woord ’’oorlog’’ bedacht in dit land, zoals

Van Bommel

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3228

politionele acties, maar de PvdD vind het niet meer van

deze tijd nog steeds geen openheid te betrachten over

het aanvangen en voeren van oorlogen en het afleggen

van verantwoording daarvan aan bevolking en volksvertegenwoordiging.

In die zin vinden wij de brief van de

minister en het debat van vandaag ook een schijnvertoning

die niet gericht lijkt te zijn op openheid, maar op het

afdekken daarvan. Wij roepen alle partijen op alles in het

werk te stellen om de regering tot openbare verantwoording

te bewegen via een onafhankelijk onderzoek van

bijvoorbeeld het NIOD. Hoe kan de Kamer een zorgvuldig

buitenlandbeleid ontwikkelen als zij niet kan leren uit het

verleden? Als het niet via de Tweede Kamer kan, zou een

onderzoek door de Eerste Kamer moeten worden

afgedwongen of desnoods via het burgerinitiatief. Het

moet duidelijk worden dat het besluit tot deelname aan

een oorlog een zaak is die alle burgers van ons land

aangaat en niet alleen een kleine groep beslissers in

kabinet en krijgsmacht, die openbare verantwoording uit

de weg lijken te gaan.

©

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Oorlogen

hebben vrijwel altijd tot onderzoek geleid, zij het dat deze

onderzoeken zelden met enthousiasme werden ontvangen

door de zittende regering. Ik verwijs naar het

onderzoek naar de politionele acties in reactie op de

Indonesische vrijheidsstrijd. Dit liet jaren en jaren op zich

wachten. Het ging mank, maar het kwam er. Pas zeer

recent heeft minister Bot kunnen en durven erkennen –

daarvoor zijn wij hem zeer erkentelijk – dat Nederland

aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond. Ik

verwijs ook naar het onderzoek naar Srebrenica waarbij

de regering jaren dwars lag. Maar het onderzoek kwam

er en dat leidde – dat weten wij allemaal – tot het

aftreden van de toenmalige paarse regering. Oorlog,

militair of politiek gesteund, slaat altijd een wond in de

samenleving. Het is bekend wat er gebeurt met wonden

die je niet verzorgt: die gaan etteren. Dat is precies wat

er nu lijkt te gebeuren.

Er ligt een aantal vragen op tafel die ons door

scherpzinnige onderzoeksjournalisten zijn aangereikt.

Veel van die vragen zijn al gesteld door de heer Pechtold

en de heer Van Bommel. Ik kan mijn betoog daarom kort

houden. Ik noem nog wel de vraag op welk moment de

beslissing is genomen om de oorlog in Irak politiek te

steunen. Ik herhaal ook de vraag of er op geen enkel

moment militaire steun is gegeven aan de oorlog in Irak.

Is er geen enkel commando, geen enkele militair, geen

enkele F-16 of geen enkel fregat actief geweest? Graag

krijg ik hier een gedetailleerd antwoord op.

Mijn fractie heeft nog wel vragen over de argumentatie.

De regering heeft altijd gesteld dat niet-naleving van

de resoluties de grond was voor het verlenen van

politieke steun en niet het al dan niet aanwezig zijn van

massavernietigingswapens. Nu zegt de SP dat dit geen

reden meer is voor onderzoek. Mijn fractie wenst dat te

bestrijden. Als je de stukken terugleest – ik heb dat zeer

nauwkeurig gedaan – dan zie je dat gedurende heel 2002

en begin 2003 de aanwezigheid van massavernietigingswapens

het doorslaggevende argument is. Nagelvast, zo

werd gezegd, zijn er massavernietigingswapens. In het

grote debat in maart 2003 zei de premier dat de

aanwezigheid van massavernietigingswapens was

aangetoond. Maar wat zie je dan? Nadat Engeland en

Amerika geleidelijk zijn gaan schuiven en hebben moeten

erkennen dat Powell in zijn eerste presentaties wat

minder overtuigend was dan men aannam, is het

argument van de resoluties steeds prominenter naar

voren gekomen. Het is een argument achteraf. Mijn

fractie hecht eraan dat de regering zich daarover nu

opnieuw verantwoordt.

De heer Van Bommel (SP): Ik denk dat mevrouw

Halsema zich vergist. Ik heb niet gezegd dat daar geen

onderzoek meer naar gedaan hoeft te worden. Ik heb

gezegd dat sommige fracties dit debat gebruiken om hun

eigen steun aan die oorlog nog eens te legitimeren. Daar

gaat dit debat volgens mij niet over.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het is fijn, dat te horen.

Ik neem aan dat u zich bij mij aansluit.

De fractie van GroenLinks heeft ook de argumentatie

van de resoluties nooit overtuigend gevonden.

Mevrouw Van Gennip (CDA): In het debat van 18 maart

2003 redeneerde de regering dat Saddam Hoessein niet

kon aantonen dat hij geen massavernietigingswapens

had. Ik heb in geen enkel stuk over het debat van

18 maart 2003 gelezen dat de premier heeft gezegd dat

Saddam Hoessein onomstotelijk in het bezit was van

massavernietigingswapens. Misschien kan mevrouw

Halsema mij zeggen waar dat staat.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik zal het voor u

opzoeken. Het stuk ligt op mijn tafel. Ik heb het nu niet

bij de hand, maar ik reik het u graag aan. Ik wil het, als

daar behoefte aan is, laten toevoegen aan de Handelingen.

Voorzitter. Ik heb dit debat met interesse gevolgd. Ik

heb mij zeer verbaasd over het gebrek aan nieuwsgierigheid,

het gebrek aan lust tot waarheidsvinding bij de

verschillende partijen. De heer Van Baalen verwijt mij

bijvoorbeeld stenen op te willen tillen waar alleen maar

zand onder zou liggen. Dat verwijt kan ik ook omkeren.

De heer Van Baalen stampt de stenen nog eens flink aan

in de hoop dat er geen enge beestjes onder tevoorschijn

kruipen.

En dan de positie van de PvdA. De heer Van Dam zegt

geen nieuwe informatie te hebben gehoord in de

uitzendingen van Argos en Reporter. Dat verbaast mij. Ik

kan mij voorstellen dat diezelfde uitzendingen voor de

PvdA, toen zij nog in de oppositie zat, reden zouden zijn

geweest om talloze vragen te stellen. Ik vind het nogal

zorgwekkend dat de PvdA niet alleen haar positie heeft

ingeleverd – onduidelijk om welke redenen – maar ook

haar nieuwsgierigheid.

De heer Van Dam (PvdA): Mevrouw Halsema mag van

alles zeggen, maar zij moet mij wel juist citeren. Ik heb

gezegd dat de uitzendingen geen nieuw licht werpen op

de zaak.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dat vind ik even

verbazingwekkend. Ik herinner u aan de vier scenario’s

van de permanente vertegenwoordiging bij de Verenigde

Naties die al in een heel vroeg stadium onafwendbaar

redeneren in de richting van oorlog. Ik neem aan dat u

die informatie ook niet bezat. Of bezat u informatie die ik

niet had? Ik begrijp niet waar het kritische besef van de

PvdA is gebleven. Ik moet zeggen dat ik in toenemende

Thieme

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3229

mate moeite heb met de wijze waarop de PvdA zich hier

verdedigt. Ik hoorde dat u op de radio hebt gezegd dat

het onderzoek een spelletje dreigde te worden. Nou, dan

neemt u de activiteiten van uw partij in het verleden

weinig serieus. Het valt mij helemaal van u tegen dat u

het Haags noemt. Ik hoef alleen maar te verwijzen naar

de campagneactiviteiten van uw eigen politieke leider. Hij

zou het verwijt van Haags gedoe buitengewoon fel

hebben weerlegd. Ik kan accepteren dat u nu een politiek

probleem hebt, maar u moet anderen die wel consequent

zijn niet verwijten dat zij Haags zijn. Ik begrijp wel

om welke politieke reden u nu afhoudend bent. Nieuwe

informatie zal natuurlijk betekenen dat de afspraken in

het regeerakkoord wankel worden.

De vraag aan de PvdA-fractie is de volgende.

Journalisten lichten tegels, zoals Henk Hofland het ooit

mooi zei. En dat zullen ze blijven doen, daar kan men

vergif op innemen. Hoe lang zal de PvdA-fractie dan

blijven zeggen dat zij correct is geïnformeerd? Hoe lang

zal zij nog gebonden zijn aan het regeerakkoord? Kan er

voor de PvdA-fractie een moment komen dat nieuwe

informatie leidt tot verandering van opvatting? Ik stel

deze vraag omdat de heer Van Baalen in zijn eerste

termijn zei dat echt nieuwe informatie – hij diskwalificeerde

de informatie tot nu toe als nieuwe informatie –

kan leiden tot het opnieuw ijken van de positie van de

VVD. Dat is interessant, want de VVD-fractie neemt op dit

moment een dynamischer positie in dan de PvdA-fractie.

Als er nieuwe informatie komt, kan dat tot gevolg

hebben dat er wel degelijk een Kamermeerderheid is.

Waar gaat de PvdA-fractie zich dan achter verschuilen?

Geschiedenis haalt je altijd in. Dat laat de weerspannigheid

van eerdere kabinetten in vergelijkbare situaties

wel zien. Vorige kabinetten hebben onderzoeken naar

Srebrenica zeven jaar weten tegen te houden, maar zij

werden uiteindelijk ingehaald. Regeren is niet alleen

vooruitkijken; het is ook achteromzien, zeker als het gaat

om iets ernstigs als oorlogvoering. Ben je niet bereid

achterom te zien, dan loop je het grote risico dat

langzaam maar zeker ook je zicht naar voren beklemd

raakt.

Laat mij dan ook tot slot een strategisch advies geven

aan de premier en zijn kabinet. Sta een onderzoek toe,

want het beschermt het kabinet tegen het telkens naar

boven komen van ongewenste informatie die het kabinet

in problemen zal brengen en die afleidt van het uitvoeren

van het regeringsprogramma. Als het kabinet bovendien

zo zeker is van zijn zaak, zou het de Kamer alle ruimte

moeten geven.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 14.10 uur tot 15.10 uur

geschorst.


Aan de orde is de voortzetting van het debat over het

kabinetsstandpunt inzake Irak.

De voorzitter: Ik geef het woord aan mevrouw Halsema,

die een toezegging gestand wil doen.

©

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Ik heb in

eerste termijn aan mevrouw Van Gennip toegezegd dat ik

nog iets zou toevoegen aan de Handelingen.

Ik heb gezegd dat op 18 maart 2003 tijdens het

Irak-debat ook premier Balkenende weer aannam dat er

massavernietigingswapens waren. De woorden van de

premier luidden: ’’De essentie is echter de ontwapening

van een agressor die massavernietigingswapens in zijn

bezit heeft.’’

De voorzitter: Dat is bij dezen dan opgenomen in de

Handelingen.

©

Minister Verhagen: Mevrouw de voorzitter. Alvorens in

te gaan op de reportages van Reporter en Argos zal ik

voor de goede orde nogmaals stilstaan bij de redenering

die destijds de grondslag vormde voor het kabinetsbeleid

ten aanzien van Irak; een redenering die destijds werd

gesteund door de Kamer. Vervolgens ga ik in op de

actuele situatie rondom Irak, waarna collega Van

Middelkoop de hem betreffende punten zal behandelen

en tot slot zal de premier ingaan op de vragen over een

onderzoek.

Om te beginnen, in 2002 was er een groot aantal

onbeantwoorde vragen over in Irak aanwezige massavernietigingswapens.

Die vragen kwamen voort uit het

gegeven dat Saddam Hoessein onvoldoende medewerking

verleende aan de VN-inspecteurs, eerst van

UNSCOM en later van UNMOVIC. Bij de eerste serie

wapeninspecties door UNSCOM die eind 1998 werden

afgebroken, bleek Irak te beschikken over een aanzienlijk

aantal massavernietigingswapens. In de rapportage van

UNMOVIC die door Hans Blix op 6 maart 2003 aan de VN

Veiligheidsraad werd gepresenteerd, waren er nog 128

openstaande vragen. Er waren dus 128 vragen die

Saddam Hoessein zonder moeite had kunnen beantwoorden,

als hij dat had gewild, wat hij stelselmatig naliet te

doen. In de brief van 4 september 2002 van de toenmalige

minister van Buitenlandse Zaken is daarbij gesteld

dat de bewijslast bij Saddam Hoessein lag. Hij moest

bewijzen dat hij geen massavernietigingswapens meer

had. In dit verband wil ik woorden aanhalen van zowel

voormalig minister van Defensie Kamp als voormalig

minister van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer.

Op 26 juni 2003 zei minister Kamp hierover in deze

Kamer dat de Nederlandse regering destijds heeft gezegd

dat er geen duidelijkheid was over de massavernietigingswapens.

Saddam moest die geven en niet de

internationale gemeenschap. Omdat hij die niet gaf,

steunde de regering, aldus Kamp, de actie van de coalitie

tegen Irak. De Hoop Scheffer was op 12 februari 2003

nog duidelijker. Hij zei: ’’Wij mogen niet vergeten waar

de bewijslast ligt, als wij praten over ontwapening. Die

bewijslast ligt niet bij de inspecteurs, noch bij de

Veiligheidsraad, die bewijslast ligt bij Saddam Hoessein.’’

De regering heeft dan ook terecht haar politieke steun

aan de inval niet gebaseerd op de vermeende aanwezigheid

in Irak van massavernietigingswapens, maar op de

onwil van Saddam Hoessein om medewerking te

verlenen aan zijn eigen ontwapening respectievelijk om

het bewijs van ontwapening te leveren respectievelijk om

Veiligheidsraadresoluties na te leven. De regering heeft

deze argumentatie met de Kamer gedeeld en zij heeft die

argumentatie in meerderheid ook gesteund.

De heer Van Bommel vroeg wanneer nu precies

besloten is tot die politieke steun aan de Amerikaanse

inval maar, zoals ik nu zie, blijkbaar ook mevrouw

Halsema. Dat is besloten in een extra ministerraad op

18 maart 2003 en dat is op dezelfde dag per brief aan de

Kamer meegedeeld.

In deze context wil ik nog even ingaan op de juridische

basis voor het ingrijpen, omdat de vraag blijft opgeworpen

worden of daarvoor een nieuwe Veiligheidsraadresolutie

moest worden aangenomen of dat het geheel

aan bestaande resoluties, 678, 687, 1441, daarvoor

afdoende was. De toenmalige regering heeft openhartig

met de Kamer gedeeld dat een aanvullende resolutie

politiek wenselijk doch niet noodzakelijk werd geacht.

Wat gesuggereerd werd, namelijk dat over die politieke

en juridische legitimatie in het ministerie van Buitenlandse

Zaken verschillend werd gedacht, is feitelijk

onjuist.

Voorzitter. Mijn conclusie is dat op twee hoofdpunten,

te weten de grondslag voor de politieke steunverlening

en de juridische grondslag, het toenmalige kabinetsbeleid

volledig werd gesteund door een meerderheid van

de Kamer. Die is daarbij correct door de toenmalige

regering geïnformeerd en de regering heeft op alle

relevante punten ook verantwoording afgelegd. Ik ben

blij dat in dit debat ook dat standpunt bevestigd is door

verschillende woordvoerders.

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Zegt de minister van

Buitenlandse Zaken nu dat er geen internationaal

juridische twijfels bestonden over een inval in Irak en de

Nederlandse steun daarvoor?

Minister Verhagen: Als je twee juristen bij elkaar zet,

heb je drie verschillende opvattingen. Minimaal twee,

maar ik durf te zeggen vaak zelfs drie! Steeds is gesteld,

ook in de debatten met de Kamer, dat de inval legitiem

was aangezien de basis voor het zo nodig afdwingen van

de uitvoering van de resoluties met geweld in diezelfde

resolutie lag. Met andere woorden, het werd legitiem

geacht, ook al bestond daar bij sommigen misschien

Voorzitter

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3231

twijfel over. Ik kan zo met een jurist komen die zegt dat

het niet legitiem is, maar ik kan er ook met een komen

die zegt dat het wel legitiem is. De vorige regering heeft

in ieder geval geconcludeerd dat er sprake was van een

voldoende juridische legitimiteit en dat politieke

standpunt is gedeeld door een meerderheid van de

Kamer.

De heer Pechtold (D66): Omwille van de helderheid is

het dan wel verstandig om erop te wijzen dat er een

interne memo van uw ministerie bestaat waarin op twee

A4’tjes helder is uiteengezet dat die juridische steun niet

onomstreden is en zelfs wordt geadviseerd om niet in te

zetten op regime change, het omverwerpen van een

regime, maar in te zetten op die massavernietigingswapens.

In die notitie, met allemaal parafen, wordt dus

duidelijk beargumenteerd dat er wel degelijk twijfel is. Ik

heb zelf ook eens drie maanden de rechtenstudie

geprobeerd en ook ik vond dat er inderdaad zo veel

meningen mogelijk waren, maar als u nu zegt dat er ook

andere notities zijn en daaruit citeert, vind ik dat u ook

die eventuele andere juridische adviezen openbaar zou

moeten maken die op dat moment voor het regeringsbesluit

en daarna voor het advies aan de Kamer van

toepassing waren.

Minister Verhagen: Uiteraard is nagedacht op het

ministerie van Buitenlandse Zaken over de vraag of er

voldoende juridische basis was, maar ook tijdens de

brainstormsessies is duidelijk gesteld dat er sprake was

van een voldoende juridische basis. Tegelijkertijd is

natuurlijk ook geconstateerd dat er ook toen al juristen

waren die spraken over het begrip ’’niet onomstreden’’.

Er is echter geconcludeerd – ook tijdens die sessie – dat

er voldoende juridische basis was. Nederland heeft zich

in het verleden ook niet uitgesproken over de mogelijkheden

van ’’regime change’’. De discussie ging over de

vraag of er naar de mening van de regering voldoende

juridische basis was voor het afdwingen van de naleving

van die resolutie met gebruik van militair geweld.

Aangezien de resoluties opgesteld waren op basis van

hoofdstuk 7 met inbegrip van militaire middelen en in

resolutie 1441 zeer helder was aangegeven dat dit

’’serious consequences’’ zou hebben, is toen gesteld dat

er voldoende basis was. Die mening werd in het debat in

maart 2003 gedeeld door een meerderheid van de

Kamer.

De heer Pechtold (D66): Dit laatste biedt niet voldoende

basis voor een oorlog. Voordat ik de minister interrumpeerde,

zei hij dat er geen juridische belemmering was.

Nu zegt hij dat er voldoende basis was. Dit is een

omdraaiing van hetzelfde, maar die betekent wel dat er

twijfel is. Je kunt hierover twijfelen en de minister citeert

ook direct een aantal juristen en het probleem dat zij

signaleren. Waarom heeft het kabinet die twijfel niet met

de Kamer gedeeld toen die daar al haar pijlen op richtte,

gecombineerd met de andere punten van twijfel die ik al

noemde, de minister van Defensie, de Luxemburgers, en

noem maar op?

Minister Verhagen: Er bestond geen twijfel over de

vraag of er voldoende juridische basis was, ook niet op

Buitenlandse Zaken. Dat is het punt. De bestaande

resoluties van de Veiligheidsraad boden naar de mening

van Nederland een voldoende juridische basis voor

militair optreden.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik wil dit bestrijden.

Volgens mij zijn er geen verschillende memoranda van

verschillende groepjes juridische ambtenaren aan de

minister gestuurd, maar is er een memorandum met het

advies. Daarin staat dat de juridische basis niet onaanvechtbaar

is. Dit is belangrijk, omdat de minister altijd

juridische argumenten heeft gebruikt. Er is altijd gezegd:

er is voldoende juridische grond, maar de minister is

langs de ambtenaren gegaan die zeiden dat het wel

aanvechtbaar is.

Minister Verhagen: Dit is feitelijk onjuist, want de

ambtenaren hebben in alle brainstormsessies gezegd dat

het weliswaar niet onomstreden was, maar dat er naar

hun mening voldoende juridische basis was. Dat is het

feit. Dit staat ook in het memorandum.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dit blijft toch een gek

verhaal. In het memorandum worden twijfels opgeworpen

over de juridische houdbaarheid van de resolutie als

middel om politieke steun te verlenen. Dit is het enige

wat de minister heeft, want de aanwezigheid van

massavernietigingswapens is niet zijn argument. Dan

zegt hij dus dat hij politieke steun gaat verlenen aan een

oorlog op basis van een aan te vechten, omstreden

juridische basis van de resolutie. Hoe kan hij dit

verantwoorden? Het zijn zijn eigen ambtenaren.

Minister Verhagen: Het zijn mijn ambtenaren niet. Ik

hecht eraan te onderstrepen dat er ook op het ministerie

van Buitenlandse Zaken is gesteld dat er voldoende

juridische basis is voor militair optreden op basis van de

resoluties van de Veiligheidsraad. Dit is ook niet zo gek,

want die resoluties werden aangenomen onder

hoofdstuk 7, zodat de naleving ervan zo nodig kon

worden afgedwongen met inbegrip van militaire

middelen. Dit was de rechtsbasis.

De discussie gaat nu over de vraag of dit onomstreden

is of niet. Maar ook daarvoor geldt wat ik eerder zei: als

ik twee juristen haal, krijg ik drie meningen. Naar de

mening van ook de ambtenaren, op basis van een

brainstormsessie, was er een voldoende juridische basis.

Daarna is daarover een debat gevoerd in dit huis, waarbij

zowel de regering als een Kamermeerderheid die

conclusie deelden. We kunnen het debat van 2003 hier

overdoen, maar ik denk dat we het debat van vandaag

moeten voeren.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Politieke steun geeft

nog geen juridisch gelijk; dat is al te gemakkelijk. Als u

zegt dat elke juristenmening over het begrip ’’omstreden’’

evenveel waard is als elke andere, geldt dat ook

voor ’’voldoende basis’’. Zo hangt uw hele redenering als

los zand aan elkaar. Het is immers ook mogelijk dat de

juristen die zeiden dat er onvoldoende basis was,

evenveel gelijk hadden als de juristen die zeiden dat er

voldoende basis was. U kunt zich niet achter de ene

jurist verschuilen en de andere jurist vertellen dat wat hij

zegt onzin is. Ofwel de juridische basis is correct, maar

dan is die ook onomstreden; of je kunt er zwaar aan

twijfelen en dan is deze omstreden. De basis is volgens

uw eigen ambtenaren omstreden en u weigert zich

daarvoor te verantwoorden.

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3232

Minister Verhagen: Het is feitelijk onjuist dat er sprake

zou zijn van twijfel van de zijde van de Nederlandse

regering in dezen. In de brainstormsessie en ook in het

memorandum is gesteld dat er naar de mening van

Nederland voldoende juridische rechtsbasis zou zijn voor

militair optreden op basis van de Veiligheidsraadresoluties.

Ik kan dat zes keer herhalen, maar dit zijn wel

de feiten.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De minister zegt

met zo veel woorden dat dit al vaststond op 9 augustus

2002. De juridische basis...

Minister Verhagen: De mogelijkheid van militair

optreden stond al vast toen de resoluties werden

aangenomen die de mogelijkheid van militair geweld in

zich hadden om naleving ervan af te dwingen. Anders

gaat het om een resolutie die de mogelijkheid niet biedt;

dan gaat het over andere sancties of drukmiddelen. Als

een Veiligheidsraadresolutie wordt aangenomen, waarin

staat dat het op basis van hoofdstuk 7 met inbegrip van

militaire middelen kan, is dat de juridische basis.

De heer Van Bommel (SP): Ik denk dat het VN-Handvest

en Hoofdstuk 7 bij de Kamer genoegzaam bekend is,

maar dank voor deze toelichting. Blijkens het document

is in de brainstormsessie van 9 augustus 2002 vastgesteld

dat de juridische basis voldoende was. Op

19 augustus 2002, tien dagen later, antwoordde de

minister van Buitenlandse Zaken op mijn schriftelijke

vragen. Mijn tweede vraag luidde: ’’Deelt u de opvatting

van de Franse president Chirac en de Duitse bondskanselier

Schröder dat een aanval alleen gerechtvaardigd zou

zijn als daartoe een mandaat is verleend door de

VN-Veiligheidsraad?’’. Die vraag wordt niet beantwoord

op basis van die voldoende juridische basis die tien

dagen eerder zou zijn vastgesteld. Nee, het antwoord is:

’’Ik acht het voorbarig in te gaan op de mogelijke

modaliteiten van een vooralsnog hypothetisch scenario.’’

Waarom werd toen niet gezegd wat u nu hier zegt?

Waarom werd op dat moment gewoon niet gezegd: ja,

wij denken dat er geen nieuwe resolutie nodig is, want

de juridische basis is voldoende. Dat werd kennelijk niet

voorbarig gevonden, want tien dagen daarvoor was daar

al over gesproken.

Minister Verhagen: Ik kom over die discussie nog te

spreken in het vervolg van mijn betoog. Ik wil wel

onderstrepen dat er tussen dingen die tot de mogelijkheden

behoren en een reeds genomen besluit wel een

verschil bestaat.

De heer Van Bommel (SP): Daar gaat mijn vraag

helemaal niet over!

Minister Verhagen: Ja, want u vraagt waarom ik geen

antwoord geef.

De heer Van Bommel (SP): Ik stelde de vraag of er een

juridische basis voor was.

Minister Verhagen: De juridische basis was er, omdat er

resoluties waren aangenomen met inbegrip van de

mogelijkheid van militair geweld. Verder hebben wij in

de Kamer steeds gesteld dat het niet noodzakelijk, maar

wel politiek wenselijk zou zijn om te streven naar een

andere resolutie. Dat is echter een heel ander verhaal.

De heer Van Bommel (SP): De regering heeft in

augustus 2002 niet aan de Kamer gemeld dat zij van

oordeel was dat er een voldoende juridische basis was

voor een inval in Irak.

Minister Verhagen: Dat is een ander verhaal. U vraagt of

er op dat moment een juridische basis was voor een

inval in Irak: bood een resolutie die zo nodig met geweld

kon worden afgedwongen een voldoende juridische

basis om deze met militair geweld af te dwingen indien

daartoe besloten zou worden? De inval in Irak was op dat

moment hypothetisch, om de doodeenvoudige reden dat

daartoe op dat moment nog geen besluit was genomen.

Er werd nog discussie gevoerd over de vraag hoe je op

andere wijze ervoor kon zorg dragen dat de inspecteurs

terugkeerden en over de vraag hoe op een andere wijze

zeker gesteld kon worden dat Saddam Hoessein

daadwerkelijk medewerking zou gaan geven aan de

uitvoering van de resoluties.

De heer Van Bommel (SP): Dit kan niet kloppen. U zegt

dat tien dagen van tevoren, op 9 augustus, voldoende

juridische basis is vastgesteld in de brainstormsessie.

Minister Verhagen: Er was voldoende basis voor militair

optreden om de resoluties uitgevoerd te krijgen, indien

dat niet op andere wijze mogelijk was. Volgens de

resolutie kon dit, omdat deze onder de werking van

hoofdstuk 7, met inbegrip van militaire middelen, was

aanvaard.

De heer Van Bommel (SP): Dit kan echt niet kloppen.

Het wordt vastgesteld in een brainstormsessie. De Kamer

vraagt ernaar. Dan kunt u toch niet tien dagen later

zeggen dat het voorbarig is om vast te stellen of er een

juridische basis is? Dat heeft u namelijk al vastgesteld; u

wilt het alleen niet aan de Kamer meedelen.

Minister Verhagen: Neen, want er is een verschil tussen

de constatering dat je kunt invallen of dat je de

theoretische mogelijkheid hebt om militair op te treden

om zo nodig de resolutie af te dwingen.

De voorzitter: Bij hoge uitzondering sta ik mevrouw

Halsema nog een interruptie toe over hetzelfde onderwerp.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dank u wel, voorzitter,

dat u mij dit toestaat, want de minister moet nog een

punt voor mij verhelderen. De minister ontleent het

hebben van voldoende juridische basis steeds aan een

zinsnede uit resolutie 1441, waar sprake is van ’’serious

consequences’’.

Minister Verhagen: Ook eerdere resoluties dan 1441

waren met toepassing van hoofdstuk 7 aangenomen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Daarin werd niet

gesproken over ’’serious consequences’’. In augustus

2002 was resolutie 1441 nog niet aanvaard; dat gebeurde

pas op 8 november 2002. Hoe kunt u een juridische basis

ontlenen aan een resolutie die nog niet was aanvaard,

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3233

onder verwijzing achteraf naar serious consequences,

wat alleen staat in resolutie 1441?

Minister Verhagen: De resoluties die vóór resolutie 1441

waren aanvaard door de VN-Veiligheidsraad waren ook

aanvaard onder hoofdstuk 7, met inbegrip van de

mogelijkheid van militair geweld om de resoluties af te

dwingen. U kunt de resoluties nakijken; die middelen

staan er gewoon in. Onder meer omdat het streven van

Nederland erop gericht was de instructeurs te laten

terugkeren naar Irak, is er door de internationale

gemeenschap een laatste poging gedaan door middel

van resolutie 1441. Juist vanwege dat feit werd er in

augustus ook door ons niet per se uitgegaan van militair

optreden en van een inval. Wij streefden er juist naar om

op andere wijze Irak te dwingen tot het toelaten van

instructeurs en tot het meewerken aan de uitvoering van

eerder aanvaarde resoluties. Daarom is resolutie 1441 er

gekomen; als laatste middel om een en ander zeker te

stellen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): U gaat er nu aan

voorbij dat de Amerikanen en de Britten zich verschrikkelijk

ervoor hebben ingespannen om nog een resolutie

aanvaard te krijgen, die de weg naar oorlog kon effenen.

De aanvechtbaarheid van de resolutie als juridische basis

schuilt ook daarin dat deze als onvoldoende werd

beschouwd door de Verenigde Staten en Engeland.

Minister Verhagen: Voorzitter. Nadat wij 1441 behandeld

hebben, kunnen wij naar de volgende gaan. Zo krijgen

wij steeds weer nieuwe vragen. Ik werd geacht een

antwoord te geven op de vraag waarom dit standpunt

ingenomen was voorafgaande aan resolutie 1441.

De voorzitter: En dan vervolgt u nu uw betoog.

Minister Verhagen: Naar mijn stellige overtuiging

werpen de reportages van Argos en Reporter geen nieuw

licht op deze zaak. Laat ik vooropstellen dat ik het

uiteraard betreur dat vertrouwelijke en interne stukken

van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar buiten

zijn gekomen. Op ministeries wordt nagedacht, gebrainstormd,

er worden opties verkend, alternatieve beleidskeuzes

doorgeredeneerd en dat is maar goed ook.

Zouden ambtenaren alleen nog mogen opschrijven wat

zij denken dat een bewindspersoon wil? Ik hoop dat u

het met mij eens bent dat dit onwenselijk zou zijn. Er

moeten verschillende beleidskeuzes, verschillende

gedachten, verschillende opties worden voorgelegd.

Als er selectief wordt geciteerd uit die interne

ambtelijke stukken over opties, als daarbij de indruk

wordt gewekt als zou de regering andere overwegingen

hebben gehad, dan wel gesuggereerd dat belangrijke

informatie verborgen is gehouden, dan vind ik dat

kwalijk. Dat geldt met name voor de berichten van de

permanente vertegenwoordiging te New York uit februari

2003 en het interne memorandum van 19 augustus 2002,

waaruit door Reporter werd geciteerd. In die stukken

worden juist verschillende scenario’s geschetst. Er

worden bouwstenen geïdentificeerd waaruit het

uiteindelijke Nederlandse beleid zou kunnen worden

opgebouwd. Ik zeg met nadruk ’’zou’’. Wie namelijk goed

kijkt naar de teksten die er staan, dan staat er steeds: zou

kunnen, indien Nederland wenst dat, enzovoorts. Het zijn

dus verschillende opties. Dat is dan toch geen keuze? Het

is geen vaststaand feit dat men daar al van uitgaat, het

zijn zou-opties. Als je niet meer over zou-opties mag

nadenken, dan zet je een stop op nadenken. Dat acht ik

het meest onwenselijke als je beleid wilt maken waarmee

je kunt ingaan op situaties die zich voordoen.

Het parlement is in al die fases intensief op de hoogte

gehouden van de beleidskeuzes, afwegingen en

redeneerlijnen die door de regering zijn gevolgd. Het

parlement dient natuurlijk inzicht te krijgen in de

argumenten die aan het beleid ten grondslag liggen dat

uiteindelijk vorm krijgt in de beslissingen van ministers

en het kabinet. Het gaat in de verhouding tussen kabinet

en Kamer immers om de politieke verantwoordelijkheid

voor de genomen beslissingen, en niet om opties die van

tevoren zijn overwogen.

Ambtenaren adviseren, verkennen opties, bespreken

mogelijke redeneerlijnen, ontwikkelen scenario’s, maar

het is wel de politiek, de regering die beslist en die het

aldus geformuleerde beleid vervolgens in brieven aan de

Kamer stuurt en naar buiten toe uitdraagt. De regering

kan dan ook worden afgerekend op het beleid. Op het

gevaar af, in herhaling te vallen: het beleid ten aanzien

van Irak kreeg de steun van de toenmalige Kamer.

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Zeker, natuurlijk. Als

je bestuurder bent, dan vraag je geregeld aan mensen –

of dat nu een jurist is of een ambtenaar – om iets voor je

te verkennen. Nu deze stukken echter openbaar zijn – uit

het feit dat elke week dit soort stukken naar buiten

komen, blijkt dat er kennelijk frustratie heerst bij de

nodige mensen – moet u toch ingaan op bijvoorbeeld het

feit dat die telex van die VN-ambassadeur weliswaar vier

scenario’s bevat, maar dat de uitkomst vier keer dezelfde

is: oorlog en steun daaraan. Het gaat dus niet om een

notitie die voor de Nederlandse regering of voor u als

minister de mogelijkheden verkent. Het zijn vier

scenario’s die alle vier naar een ding toe leiden: steun

aan de oorlog in Irak. Kunt u daarop ingaan?

Minister Verhagen: Daarin staan verschillende opties,

waarbij citerend wordt gezegd ’’Nederland zou de lijn

kunnen aanhouden, mocht het toch zo ver komen, dan

kan Nederland een keuze’’ (...) ’’wenst Nederland de zijde

van de VS en het Verenigd Koninkrijk te kiezen, dan ...’’.

Dit zijn dus allemaal opties. Het is dus niet al bij

voorbaat vaststaand dat dat gebeurt. Integendeel, het is

een advies, een lijn, waarin verschillende opties naar

voren worden gebracht. Nogmaals, de PV New York gaat

niet over het beleid. Dat is de regering.

De heer Pechtold (D66): Ik noem de vier scenario’s in

staccato: ’’1. levert het minst problemen op voor

geloofwaardigheid van militaire actie; 2. dit is een

redelijk veto, waarop militair ingrijpen zou moeten

stranden; 3. ook dan zullen ze ...’’ – de VS en het

Verenigd Koninkrijk – ’’... militaire actie doorzetten; 4. ook

in dit geval zullen VS en VK militaire actie tegen Irak

ondernemen’’. Dat is vier keer oorlog.

Minister Verhagen: Maar alle vier keer staat niet bij

voorbaat vast dat Nederland die lijn volgt. Nee,

Nederland zou de lijn kunnen aanhouden, indien

Nederland die lijn wenst en de Verenigde Staten en het

Verenigd Koninkrijk wenst te volgen. Mocht het zo ver

komen, dan zou Nederland die keuze kunnen maken. Dat

zijn dan toch allemaal opties die aan de orde zijn? Dat is

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3234

op dat moment dan toch niet een keuze van Nederland?

Integendeel, zelfs in deze redeneertrant wordt een aantal

opties voorgelegd, maar interne beleidsdocumenten die

naar buiten zijn gekomen, zijn voorbereidend. Wat

journalisten, wat Reporter en wat u hier ook van probeert

te maken, het is niet meer en niet minder. Ik kan mij wat

dit betreft geheel vinden in de lijn van het geachte lid

Van Baalen, die in dezelfde aflevering van het programma

Reporter heel duidelijk heeft gezegd dat hij te

maken heeft met wat de regering doet en niet met wat

de regering denkt. Wij hebben hier in dit debat te maken

met wat de regering heeft gedaan, niet met wat bepaalde

ambtenaren hebben voorbereid aan opties en hebben

uitgezet aan redeneerlijnen. Het gaat uiteindelijk om de

politieke keuzes. Die zijn hier heel helder gecommuniceerd.

Zij zijn hier verantwoord in de Kamer, gedeeld met

de Kamer en ook gesteund door de meerderheid van de

Kamer.

De heer Pechtold (D66): Dat is te gemakkelijk. De

minister kan niet zeggen: wij hebben die steun gehad

maar ondertussen jaar in, jaar uit volhouden – ik ben blij

dat de minister nu ook citeert en niet meer zegt dat de

citaten selectief zijn – ’’totdat wij de papieren in handen

hebben’’. Dit zijn vier scenario’s voor groente eten, maar

de scenario’s zijn spruitjes, spruitjes, spruitjes of

spruitjes, ofwel oorlog in Irak. Ik wil graag dat de

minister er serieus op ingaat wanneer een hoge

ambtenaar komt met deze adviezen waarom dat dan niet

in het besluitvormingsproces, maar vooral in het

verantwoordingsproces tegenover de Kamer niet

duidelijker is geweest. Daar was niets van deze twijfel te

merken. Vandaag merk ik voorzichtiger woorden, maar

toen niet.

Minister Verhagen: De suggestie als zou de keuze

vaststaan werp ik verre van mij. Ook toen stond de keuze

niet vast. U hebt te maken met keuzes die de regering

heeft gemaakt en waarvoor zij zich heeft te verantwoorden.

U hebt niet te maken met wat ambtenaren aan

mogelijke opties naar voren brengen. Ik blijf erbij dat met

name in het programma Reporter selectief is geciteerd

uit stukken, waardoor die uit hun context zijn gerukt, te

beginnen met het memorandum. De brainstormsessie

onder leiding van de toenmalig minister van Buitenlandse

Zaken De Hoop Scheffer – ik zat daar niet bij, dus

ik ga af op wat ik lees – wordt in het memorandum

aangehaald. Daar is aan ambtenaren gevraagd om een

Nederlandse positie te ontwikkelen voor een aankomend

overleg in EU-verband, teneinde daar de verschillende

opties op een rij te hebben. De voorgestelde positie was,

dat Nederland zich zou inzetten voor een oplossing op

basis van de relevante resolutie van de Veiligheidsraad.

In concreto ging het daarbij om de onvoorwaardelijke

terugkeer en toelating van de wapeninspecteurs. Dat was

de lijn van de regering op dat moment. Het was niet de

inzet om hoe dan ook oorlog te gaan voeren, zoals

mevrouw Halsema steeds wenst te suggereren. In alle

voorbereidende sessies en in het overleg binnen de

Europese Unie was de inzet er steeds op gericht dat de

terugkeer van de wapeninspecteurs voor de regering de

allerhoogste prioriteit had.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik acht het verwijt aan

de media dat zij selectief hebben geciteerd niet erg sterk.

Minister Verhagen: Dat is weer wat anders.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De positie van de

regering zou er bij elk ander scenario dat men had

gebruikt, niet beter op zijn geworden. Als bijvoorbeeld

zou zijn geciteerd uit het eerste scenario, zou er hebben

gestaan: ’’het scenario levert het minste probleem op

voor de geloofwaardigheid van de Veiligheidsraad en de

militaire actie. Deze gang van zaken past in de Nederlandse

lijn.’’ Dat is interessant. De permanente vertegenwoordiger

reageert hiermee schijnbaar op een Nederlandse

lijn die hij al kende. Ik vraag de minister daarom

of de regering om dit advies heeft gevraagd en of het

een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming van de

Nederlandse regering.

Minister Verhagen: In alle debatten met de Kamer heeft

de regering gesteld het, hoewel het niet absoluut

noodzakelijk was, politiek wenselijk te achten dat er nog

een resolutie van de Veiligheidsraad zou komen. Dat was

de Nederlandse lijn. Ik vind het dan niet gek dat de

permanente vertegenwoordiger van Nederland bij de

Veiligheidsraad in New York, wanneer hij zich uitlaat over

de mogelijkheid dat een dergelijke resolutie zal worden

aanvaard, zegt dat hij dit vindt passen binnen de

Nederlandse lijn. Het zou vreemd zijn wanneer hij dat

niet zou vinden. De regering heeft steeds gesteld het

politiek wenselijk te achten dat er nog een resolutie zou

worden aangenomen. Wij vonden dat niet noodzakelijk,

maar wel wenselijk.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dat is niet wat er staat.

Minister Verhagen: Het is wel wat er staat. Laten wij

elkaar één keer serieus nemen. Als een vertegenwoordiger

van Nederland bij de Veiligheidsraad stelt dat

Nederland de lijn zou kunnen aanhouden, is dat geen

Nederlandse positie maar een suggestie. Het is een

optie. Mevrouw Halsema kan wel voortdurend proberen

te doen alsof het hoe dan ook vaststond dat Nederland

vond dat op dat moment moest worden binnengevallen

in Irak, maar dat is feitelijk onjuist. Wij hebben wel

gesteld het noodzakelijk te achten dat de resoluties van

de Veiligheidsraad worden uitgevoerd. De regering heeft

dat steeds uitgedragen. In maart hebben wij daaraan

politieke consequenties verbonden. De Tweede Kamer

heeft de regering daarin gesteund.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik heb de minister

steeds serieus genomen. Ik veronderstel dat dit ook

omgekeerd het geval was. Ik wil de minister best geloven

wanneer hij zegt dat pas na de resoluties beslissingen

zijn genomen, maar hij kan mij niet verklaren hoe een

permanente vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties

al veel eerder schijnt te weten wat de Nederlandse lijn is.

Hij zegt immers al een half jaar eerder: ’’het levert de

minste problemen op voor een militaire actie. Dit past in

de Nederlandse lijn.’’ De permanente vertegenwoordiger

ging er dus al een half jaar eerder van uit dat het de

Nederlandse lijn was dat militaire actie moest worden

ondernomen. Ik stel vast dat de minister daartegen geen

verweer heeft.

Minister Verhagen: Om te beginnen is het helemaal

geen half jaar eerder. Deze uitspraak werd gedaan in de

laatste fase – eind februari, begin maart – toen de

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3235

discussie werd gevoerd over de vraag of na resolutie

1441 van de Veiligheidsraad nog een andere resolutie

zou moeten volgen. Aangezien de regering op dat

moment al in de Tweede Kamer had uitgesproken het

politieke wenselijk te achten wanneer nog een tweede

resolutie zou worden aangenomen, was het niet meer

dan logisch dat de permanente vertegenwoordiger zei

dat het aannemen van een nieuwe resolutie in de

Nederlandse lijn zou passen. Het is absoluut niet juist dat

al bij voorbaat vaststond dat de keuze zou worden

gemaakt om militair in te vallen of om een inval te

steunen. Het besluit daartoe is op 18 maart genomen. In

de hele periode ervoor – ik heb het daarbij over de

periode van augustus tot en met het tijdstip waarop

resolutie 1441 werd aangenomen – was de terugkeer van

de inspecteurs de eerste prioriteit van de Nederlandse

regering. Hierbij was voor de afdwinging van het naleven

van de resolutie, en uitgaande van de bestaande

resoluties, de mogelijkheid van militair optreden niet

uitgesloten. Die mogelijkheid was echter wel hypothetisch,

omdat zij nog niet aan de orde was. Zelfs de

Verenigde Staten hadden immers op dat moment nog

geen besluit tot militair optreden genomen. Dit is het

antwoord op de vragen over het woord ’’hypothetisch’’.

Toen er nog geen besluit over militair optreden was

genomen en zelfs de Verenigde Staten dat nog niet

hadden gedaan, was militair optreden een hypothetische

mogelijkheid, theoretisch mogelijk op basis van de

resoluties. Daarover was echter toen dus absoluut nog

geen besluit genomen.

Mevrouw Van Gennip (CDA): De minister heeft zojuist

klip en klaar duidelijk gemaakt dat een departement geen

knip voor de neus waard is als daar niet wordt gediscussieerd

en wordt nagedacht over de toekomst, en als daar

niet verschillende scenario’s worden uitgewerkt. Wat

daar uitkomt, wordt uiteraard ook gedeeld met de

politieke top. Toch is het wellicht goed als de minister

even bevestigt dat uiteindelijk de besluitvorming een

politieke is, die plaatsvindt in het kabinet en hier in de

Tweede Kamer. Daar komen wij tot een politieke

besluitvorming, ongeacht wat de ambtelijke adviezen

zijn. Natuurlijk wordt er naar deze adviezen geluisterd,

maar uiteindelijk vindt de politieke besluitvorming in de

Kamer plaats. Kan de minister dit nog even bevestigen?

Minister Verhagen: Ik ben het hartgrondig eens met de

geachte afgevaardigde Van Gennip. Het gaat immers in

het verkeer tussen Kamer en regering om politieke

besluiten die op basis van standpunten van de regering

tot stand zijn gekomen. Voor die standpunten moet de

regering in de Kamer verantwoording afleggen en zij

moet daarvoor een meerderheid zien te verwerven.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Precies. Op basis van de

politieke keuze en pas nadat er een meerderheid is

gevonden in de Tweede Kamer, wordt de Nederlandse

lijn uitgedragen door bijvoorbeeld een vertegenwoordiger

bij de Verenigde Naties of door een andere vertegenwoordiger.

Hij doet dit op basis van de besluitvorming

hier in het parlement. Dit betekent dat zo’n vertegenwoordiger

te allen tijde intern mag berichten wat hij

vindt van een of ander scenario, maar dat naar buiten

toe deze vertegenwoordiger de lijn uitdraagt die in de

Tweede Kamer is afgesproken, en geen andere. Is de

minister het daarmee eens?

Minister Verhagen: De keuze die het kabinet maakt, is

bepalend voor de lijn die uiteindelijk de vertegenwoordiger

uitdraagt namens de regering, ook bij extern

optreden in de Verenigde Naties.

Ik ben dus van mening dat het zorgvuldig is dat de

regering intern verschillende scenario’s beziet en dat ze

een beoordeling maakt van mogelijke opties in het geval

een van de scenario’s werkelijkheid wordt. Zolang een

scenario zich echter niet ontwikkelt tot werkelijkheid, is

het hypothetisch. Ik vind dat de toenmalige minister van

Buitenlandse Zaken de Kamer volkomen terecht

geantwoord heeft dat het voorbarig zou zijn als de

regering over één scenario zou gaan communiceren. Dit

temeer omdat er op dat moment nog geen enkel besluit

was.

De heer Van Dam (PvdA): Dat er op 25 februari 2003

hoofdzakelijk, of zelfs alleen maar scenario’s werden

uitgewerkt die op oorlog uitkwamen, mag eigenlijk

niemand verbazen omdat de hele wereld daar op dat

moment van uitging. Het heeft mij wel verbaasd – iets

wat mijn fractie de afgelopen jaren vaker heeft geuit –

dat ook hieruit weer blijkt dat alle scenario’s uitkwamen

op Nederlandse steun aan de Amerikanen. Is er ook een

memo gemaakt waarin een ander scenario is besproken,

namelijk het niet steunen van de Amerikanen? Ik begrijp

goed dat de regering pas op 18 maart het definitieve

besluit heeft genomen om de Amerikanen te steunen,

maar het lijkt er toch eigenlijk al tijden sterk op dat er

altijd in beginsel bereidheid was om de Amerikanen te

steunen.

Minister Verhagen: De vraag of er uiteindelijk politieke

steun gegeven werd aan het militaire optreden in Irak

van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, is

beantwoord op 18 maart. Daarbij liggen verschillende

opties en mogelijkheden voor: steun geven, geen steun

geven, deelnemen, niet deelnemen, of politieke steun

geven. Het kabinet is destijds tot de conclusie gekomen

dat het politieke steun wilde geven, maar dat is hier op

18 maart gewisseld. De redengeving is in de brief van

18 maart aangegeven. Op het moment dat je voor het

een kiest, is ook duidelijk dat er andere keuzemogelijkheden

zijn. De meerderheid van de Kamer

steunde de keuze van de regering, maar een ander deel

kwam tot een andere keuze. Dat is altijd mogelijk.

De heer Van Dam (PvdA): Ik neem aan dat de minister

begrijpt wat mijn collega’s hebben gezegd, namelijk dat

het memo de indruk wekt dat Nederland, ongeacht de

uitkomsten van het proces in de Veiligheidsraad, steun

wilde verlenen aan de Amerikanen. Dat past ook in het

licht van wat in de maanden daaraan voorafgaand

plaatsvond. Toen heeft de Nederlandse regering steeds

gezegd dat, ongeacht of er een nieuwe resolutie zou

komen, er in haar ogen een mandaat lag voor het

gebruik van geweld en dat er in haar ogen een aanval

kon worden uitgevoerd. Dat past toch ook in de lijn? Dat

begrijpt de minister toch wel?

Minister Verhagen: Hier zijn van te voren twee zaken

gewisseld. Dat is ook aan de Kamer gemeld. De

resoluties, inclusief resolutie 1441, konden zo nodig met

militair geweld worden afgedwongen. Voorts zou

Nederland zichzelf een oordeel aanmatigen over de

vraag of er sprake was van een material breach, of te wel

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3236

het niet voldoen aan de naleving van de resolutie. Het

kabinet heeft wat dat betreft een eigenstandige afweging

gemaakt. Dat is ook gewisseld in het debat in maart.

Dan kom ik op de discussie naar aanleiding van de

uitzending van Reporter over het memorandum en over

hoe de e-mails van 13 maart zich verhouden tot de

gegeven antwoorden. In de brief van 2 april jongstleden

zijn wij daar uitvoerig op ingegaan. Wij zijn wel degelijk

ingegaan op wat in het interne memorandum staat en op

wat is geantwoord op vragen van de Tweede Kamer. In

de eerste alinea onder het kopje over Reporter en Argos

wordt gesteld: ’’Om op mogelijke ontwikkelingen

voorbereid te zijn, komen in deze stukken diverse

scenario’s aan de orde. Voor zover een en ander heeft

geleid tot beleidskeuzes is dat iedere keer weer

vastgelegd in de diverse brieven aan uw Kamer.’’ Daarna

staan die brieven opgesomd. Vervolgens is in de brief

van 2 april ingegaan op de materie als zodanig. Ik kan

niet genoeg onderstrepen dat de regering verantwoording

aflegt over beleidskeuzen die worden gemaakt,

maar niet over het interne proces dat aan die beleidskeuzen

ten grondslag ligt. De regering heeft dat destijds

gedaan per brief van 18 maart. Daarin staat: ’’Dat

moment is nu aangebroken. Bij de beoordeling van de

mate waarin Irak zijn verplichtingen om te ontwapenen

nakomt, moet rekening worden gehouden met het

gegeven dat het hier gaat om een regime dat nu al 12

jaar kans ziet zich te onttrekken aan uitspraken van de

Veiligheidsraad. Duidelijk is dat zonder grote militaire

druk besluiten van de Veiligheidsraad op hem geen

enkele indruk maken.’’ Dat was de tekst van 18 maart.

Voor de keuze die toen is gemaakt, is hier verantwoording

afgelegd.

Er is gevraagd in hoeverre sprake was van een verzoek

van de Amerikaanse regering over het beschikbaar

stellen van militaire middelen en in hoeverre de Kamer

daarover voldoende en juist is geïnformeerd. In de brief

ter voorbereiding van dit debat is daar uitgebreid op

ingegaan. Ik benadruk dat sprake is van een verschil als

ik kijk naar de brief waar iedereen uit heeft geciteerd.

Deze valt uiteen in twee delen. In het eerste deel wordt

heel duidelijk gesproken over ’’We request that your

government assists or participates ...’’. Dat richt zich op

de Patriots, op het overvliegen. De Kamer is daarover

geïnformeerd en heeft daar ook mee ingestemd, inclusief

het op verzoek van Turkije leveren van Patriots ter

bescherming. Daarnaast is er een hele lijst waaruit met

veel genoegen door sommigen wordt geciteerd. Dat is

ook in de uitzending van Reporter gebeurd. Daar staat

echter heel duidelijk bij: ’’in addition’’ – dus op het

verzoek – ’’we would like to discuss with you what types

of capabilities ...’’. Dat de VS hierover in contact wilden

blijven met de toenmalige Nederlandse regering is de

Kamer ook in december gemeld. Behalve het verzoek

waarover de Kamer is geïnformeerd en waarmee zij heeft

ingestemd, wilden de VS over andere middelen contact

met Nederland houden. Dat is ook in de brief gemeld.

Zouden die contacten geresulteerd hebben in een besluit

tot een Nederlandse militaire bijdrage, dan was de

Kamer daarvan op de hoogte gesteld. Maar daar hebben

die contacten niet toe geleid. Vandaar dat het bij een

discussie is gebleven en niet tot een nader verzoek is

gekomen.

De heer Van Bommel (SP): De minister vertaalt de

zinsnede ’’we would like to discuss with you’’ wel heel

wonderlijk. Hij heeft het over in contact blijven, maar dat

betekent die zin niet. De Amerikanen geven aan dat zij dit

met Nederland willen bespreken. Ik neem aan dat de

regering daar dan op heeft gereageerd. Dit wordt eerst

intern besproken en vervolgens wordt de Amerikanen

meegedeeld wat het antwoord van de Nederlandse

regering is.

Minister Verhagen: Het antwoord richtte zich op het

verzoek, dus op de Patriots, het overvliegen en de

doorvoermogelijkheden. Dat is de Kamer ook gemeld en

daar heeft zij mee ingestemd. Daar is niets geheimzinnigs

aan. In een van die debatten heeft de heer Van

Bommel gevraagd of het verzoek zich ook uitstrekte tot

Patriots. Uit de stukken blijkt heel duidelijk dat de Kamer

daarmee heeft ingestemd.

De heer Van Bommel (SP): Dat is mij bekend en daar

richt mijn vraag zich ook niet op. Is het tweede deel van

de brief in het kabinet besproken? Is daar besloten dat

dit niet geleverd wordt? Is dat besluit meegedeeld aan de

Amerikanen? Is dat antwoord op schrift gesteld en kan

de Kamer dat krijgen?

Minister Verhagen: Er is een besluit genomen over de

beschikbaarheid van Patriots in relatie tot Turkije, over

het overvliegen en over het doorgeleiden. Het overige is

niet aan de orde gekomen, omdat het verzoek zich daar

niet op richtte. Daar is geen besluit over genomen. Ik kan

er niet meer van maken.

De heer Van Bommel (SP): Nederland krijgt een brief

waarin ook een onderdeel staat over offensieve wapens,

maar daar wordt in het kabinet kennelijk helemaal niet

over gesproken. Er wordt alleen iets gezegd over het

verzoek dat wordt gehonoreerd. Het kabinet is bijeen en

de leden hebben de brief voor zich. U doet net alsof het

tweede deel van die brief niet heeft bestaan.

Minister Verhagen: Er is gesproken over het verzoek.

Dat verzoek richtte zich op de elementen waar ik het over

gehad heb. Daar is een besluit over genomen en

daarover is de Kamer geïnformeerd. Er is ook aan de

Kamer gemeld dat de Amerikanen over andere mogelijkheden

met Nederland in gesprek wilden blijven. Als die

contacten geresulteerd zouden hebben in een besluit tot

een extra militaire bijdrage van Nederland, was de

Kamer daarover geïnformeerd. Maar er is geen besluit

op dat punt geweest. Ik kan er niet meer van maken.

De voorzitter: Hoeveel blokjes resteren er nog in uw

betoog?

Minister Verhagen: Ik denk dat ik meer dan genoeg over

de uitzending van Reporter heb gezegd. Ik ga nu over

naar de situatie in Irak op dit moment.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De minister heeft net

antwoord gegeven op vragen over het al dan niet

verlenen van militaire steun tijdens de inval. De vraag is

ook of er militaire steun is gegeven bij de voorbereiding

op de inval. Ik herinner mij levendig de beelden van

staatssecretaris Van der Knaap bij RTL 4, staand op de

Walrusonderzeeër. Hij legde tijdens die uitzending uit dat

de reden voor de aanwezigheid van de onderzeeër in dat

gebied, de toegangsweg tot Irak, was dat de Amerikanen

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3237

zo goed mogelijk op de hoogte wilden zijn van alle

activiteiten in Irak. Dat was november 2002.

Minister Verhagen: De minister van Defensie zal hier

verder op ingaan.

De heer Pechtold (D66): Ik heb nog een vraag over het

wensenlijstje van de Amerikanen dat tot en met de

zwemvesten nauwkeurig was opgesteld. Het ging om

hele lijsten van dingen die men met ons wilde bediscussiëren.

Kunt u nu echt staande houden dat de Amerikanen

op papier een dergelijk verzoek zouden indienen als

zij niet enigszins het gevoel hadden dat hun verzoek ook

zou worden ingewilligd? Ik zie de premier lachen. Hij en

ik hebben jonge kinderen. Daar denkt hij waarschijnlijk

aan. Een van mijn kinderen is binnenkort jarig en hij

heeft een hele lijst gegeven met wat hij allemaal zou

willen hebben. Maar ja, hij weet dat hij niet alles zal

krijgen. Nu gaat het over de Amerikanen. Zouden die nu

serieus zo’n lijst indienen, met zoiets als special forces,

wat gewoon moordmachines zijn, als het iets vrijblijvends

is?

Minister Verhagen: Ik maak wel bezwaar tegen de term

moordmachines in relatie tot special forces.

De heer Pechtold (D66): Ik neem het terug. Ik bedoelde

dat het moordmachines kunnen zijn.

Minister Verhagen: Het verzoek van de Verenigde Staten

richtte zich op de elementen waar ik over gesproken heb.

Ik heb gezegd dat men nader in contact wilde blijven

over andere mogelijke bijdragen. Dat is de Kamer ook

gemeld. Daarover heeft het kabinet geen besluit

genomen. Als het kabinet het besluit genomen zou

hebben om een extra militaire bijdrage te leveren, zou

dat aan de Kamer zijn gemeld. Dit is niet het geval

geweest.

Voorzitter. Ik kom op het Irak van vandaag. Tijdens het

algemene overleg over de NAVO-trainingsmissie van

15 februari jongstleden is voor het laatst met de Kamer

van gedachten gewisseld over de actuele situatie in Irak.

Zoals reeds genoemd in de brief die de Kamer recent is

toegestuurd, hebben sedertdien een aantal relevante

ontwikkelingen plaatsgevonden. De veiligheidssituatie

blijft zeer zorgelijk. Het is dan ook te vroeg om conclusies

te trekken over het recent ingezette veiligheidsplan

van de Irakese en de Amerikaanse regering. Wij zien wel

dat in Bagdad het sektarische geweld enigszins is

afgenomen. Dat geldt echter zeker niet voor het geweld

in de rest van Irak. Met name aanslagen met bomauto’s

blijven veel burgerslachtoffers maken. Zoals tijdens het

vragenuurtje van 19 maart aan de orde is gekomen,

steunt Nederland de overdracht van verantwoordelijkheden

op het veiligheidsbeleid aan de Irakese regering. Hoe

eerder Irak zelf aangeeft het zonder hulp van buitenaf te

kunnen stellen, hoe beter. Of dit echter binnen een jaar

gerealiseerd zal zijn, is moeilijk aan te geven. Laten wij

niet vergeten dat de Irakese regering hecht aan de

aanwezigheid van buitenlandse troepen in Irak. Laten wij

ook niet vergeten dat de huidige aanwezigheid is

gebaseerd op resoluties van de Veiligheidsraad.

Een buitengewoon relevante – en ik hoop positieve –

ontwikkeling is de regionale conferentie die op 10 maart

in Bagdad plaatsvond. Hieraan namen zowel de

permanente leden van de Veiligheidsraad als Syrië en

Iran deel. Het feit dat een dergelijke conferentie

plaatsvond met zowel de Verenigde Staten als Iran aan

tafel is een belangrijke eerste stap. Op hetzelfde niveau is

een ministeriële conferentie in voorbereiding, maar de

datum, plaats en precieze deelnemers zijn nu nog

onbekend. De Irakese regering heeft hier terecht het

voortouw.

Nederland steunt de Iraakse regering bij de opbouw

van een democratisch en welvarend Irak. Dat blijft

uitgangspunt van ons beleid. Wij doen dat via de

NAVO-trainingsmissie, via het JUSTLEX-programma van

de EU en bilateraal via de training van Iraakse diplomaten.

De huidige problemen in Irak kunnen niet alleen met

militaire middelen worden opgelost. Vooruitgang in het

politieke proces blijft van essentieel belang. De Iraakse

regering en samenleving dienen zich dan ook onverminderd

in te spannen om nationale verzoening te bewerkstelligen,

onder andere door het aanpakken van milities

en door overeenstemming te bereiken over de verdeling

van olie-inkomsten en over de verdere uitwerking van de

federatieve structuur, inclusief de status van Kirkuk.

De heer Voordewind heeft gevraagd naar de vooruitgang

in dat proces van nationale voorziening. Ik heb de

elementen net genoemd. Het is op zichzelf nieuw dat de

Iraakse regering recentelijk een nieuwe oliewet heeft

voorgelegd aan het Iraakse parlement. Dat is een positief

signaal. Maar er dient nog nadere overeenstemming te

worden bereikt over de verdeling van de olie-inkomsten.

Vooral dat zal een belangrijk onderdeel moeten vormen

van die wet. Ook heeft de Iraakse regering een gedeeltelijke

herziening van het proces in voorbereiding. Een

gedeeltelijke herziening is van belang om de soennieten

beter te betrekken bij de opbouw van het land. Vooralsnog

is de vooruitgang nog onvoldoende, maar ik hoop

dat de regionale conferentie op dit punt aanknopingspunten

kan bieden.

De heer Voordewind (ChristenUnie): In het Hamilton-

Baker-initiatief worden wat voorwaarden opgesomd voor

Syrië en Iran, vooral voor de medewerking van Syrië aan

het onderzoek van president Hariri. Spelen die voorwaarden

nog een rol of zijn die terzijde geschoven?

Minister Verhagen: Het initiatief voor de regionale

conferentie komt van de Iraakse regering. Die regering

probeert Syrië en Iran hierbij te betrekken. Dat is

noodzakelijk. Dat de Verenigde Staten hieraan hebben

deelgenomen, is hoopvol. Niet de voorstellen van Baker

en Hamilton, maar de voorstellen van de Iraakse regering

zijn daarbij leidend. De eisen die wij in het algemeen

stellen aan de medewerking van Syrië aan het Hariritribunaal

zijn niet gekoppeld aan die conferentie. Een van

de conclusies van de EU tijdens de laatste top was dat

de druk op Syrië moet worden opgevoerd om ervoor te

zorgen dat Syrië meewerkt aan het Hariri-tribunaal. Mijn

voorganger heeft dat ook duidelijk gemaakt. De heer

Solana doet dat in zijn contacten met Syrië. Met Iran

hebben wij een heel andere discussie te voeren in relatie

tot de Veiligheidsraadresoluties en de gevangenneming

van de vijftien Britten. Ik zou dit proces van de regionale

conferentie daarmee niet willen belasten. Dat mag geen

excuus zijn om af te zien van de noodzakelijke vooruitgang

op de