Flat Earth News
Nick Davies, uitgeverij Chatto & Windus, Londen, februari 2008

In zijn in februari 2008 verschenen boek Flat Earth News luidt de gerenommeerde Britse Guardian-journalist Nick Davies de noodklok met betrekking tot zijn eigen werkterrein: de journalistiek. Het journalistieke bedrijf, betoogt hij, heeft zwaar aan onafhankelijkheid en kritisch vermogen ingeboet. Gevolg is dat de westerse nieuwsmedia zijn verworden tot een doorgeefluik van informatie die lang niet altijd betrouwbaar is.
Debet daaraan zijn volgens Davies twee elkaar versterkende, structurele ontwikkelingen. De grootste boosdoener is het proces van commercialisering dat de nieuwsmedia sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw in toenemende mate in de greep heeft. Nieuws is steeds meer een product geworden dat, net als andere goederen, zo goedkoop mogelijk moet worden geproduceerd en zo veel mogelijk moet opleveren. Dit heeft ertoe geleid dat schrijvende journalisten steeds meer artikelen moeten produceren, waardoor de werkdruk enorm is gestegen en essentiële taken – zorgvuldig onderzoek doen, feiten en informatiebronnen checken – praktisch onmogelijk zijn geworden. Vergeleken met ruim twintig jaar geleden, zo luidt een van de conclusies van Davies, moeten journalisten nu grofweg drie maal zo veel pagina’s vullen.
Tegelijkertijd voorziet een uitdijend leger van voorlichters, spin doctors en pr-functionarissen de journalisten van veel, dikwijls misleidende informatie. Zij hebben gemakkelijker dan ooit toegang tot de media, die door de toegenomen werkdruk aan weerbaarheid hebben ingeboet. Uit schattingen in Groot-Brittannië blijkt bovendien dat de pr-branche inmiddels meer werknemers telt dan de journalistiek.
Davies’ conclusies zijn gebaseerd op empirisch onderzoek van de Universiteit van Cardiff. Een team van wetenschappers analyseerde meer dan tweeduizend berichten uit vijf Britse kwaliteitskranten. Het resultaat is schokkend. Tachtig procent van de berichten bleek geheel of gedeeltelijk samengesteld uit tweedehands materiaal, afkomstig van persbureaus (waarvoor waarheidsvinding minder van belang is, omdat zij slechts weergeven wat ze van bronnen horen), andere media en de pr-industrie. Slechts bij twaalf procent van de berichten waren de gemelde feiten grondig geverifieerd.
Journalistieke waarheidsvinding, met andere woorden, staat onder enorme druk. Op wat goede uitzonderingen na – Davies heeft veel respect voor de journalisten die nog wel de tijd hebben of nemen om aan de kwaliteitseisen te voldoen – zijn de journalisten daartoe niet in staat. Ze hebben simpelweg te weinig tijd. Zorgvuldig onderzoek en waarheidsvinding hebben plaatsgemaakt voor het kritiekloos doorgeven van aangereikte informatie. ‘Churnalism’, noemt Davies dat. De informatie die de media presenteren is daarom veelal bezijden de waarheid.
Davies gebruikt de berichtgeving over de Irak-oorlog om aan te tonen hoe de media fungeren als doorgeefluik van ongecontroleerde en onbetrouwbare informatie. Een veelzeggend voorbeeld waarnaar hij verwijst is een onderzoek waaruit blijkt dat er in de aanloop naar de oorlog in 86 procent van de Britse nieuwsuitzendingen vanuit werd gegaan dat Irak massavernietigingswapens bezat; slechts in veertien procent werd daar openlijk aan getwijfeld. De wapens bleken echter niet te bestaan. Waarom waren de media dan toch zo stellig?
Davies geeft een verklaring: ‘Dat langlopende verhaal begon met de voorzichtige inschattingen van inlichtingenexperts, die er toevallig naastzaten. Het werd opgepikt en overdreven door politici en Iraakse ballingen die er belang bij hadden het te promoten. Het werd nog verder verspreid door politici en onderzoekers (‘pundits’) die oprecht niets wisten over Iraakse wapens. En de media verspreidden het verhaal wereldwijd.’
De mythe van de massavernietigingswapens toont de kwetsbaarheid van de media. Zij bleken niet in staat de misleidende berichten door te prikken en het is hun onkritische houding waarover Davies zich in zijn boek opwindt. De berichtgeving over de wapens is een schoolvoorbeeld van wat hij ‘flat earth news’ noemt: nieuws dat waar lijkt, dat als waar wordt geaccepteerd, maar dat in feite uiterst discutabel is en vaak bol staat van fouten.
Het zijn zeker niet alleen de Britse media die faalden in de aanloop naar de Irak-oorlog. Het feit dat de New York Times excuses aanbood voor de eenzijdige berichtgeving en dat de Washington Post een uiterst kritisch artikel over de eigen berichtgeving op de voorpagina plaatste is veelzeggend.
Ook in Nederland is er discussie over de objectiviteit en kwaliteit van de media met betrekking tot Irak. Dat bleek onder meer tijdens een groot symposium in de Rode Hoed in Amsterdam in oktober 2007, waarvan ‘Openheid over Irak’ mede-organisator was. Verscheidene deelnemers en aanwezigen lieten bijvoorbeeld weten dat kritische artikelen over de komende oorlog de krant niet haalden. Een buitenlandredacteur van het AD kreeg op zijn redactie het verwijt op de hand van Saddam te zijn en historicus en Amerika-deskundige Maarten van Rossem, destijds columnist van de Volkskrant, kreeg te horen dat voor zijn kritische analyses geen ruimte meer was.
Zorgwekkend vindt Davies met name de mechanismen die achter het verschijnen van de ondeugdelijke berichtgeving over de Irak-oorlog schuilgaan. Zijn verhaal neemt hier een duistere wending. Als geen ander nieuwsfeit geeft de Irak-oorlog namelijk iets prijs van de activiteiten van een belangrijke leverancier aan de nieuwsfabriek: ‘De geheime schakel van inlichtingendiensten, militaire eenheden en regeringsdepartementen’, die de media als nooit tevoren voorziet van ‘strategic communications’. Deze ‘schakel’, die volgens Davies vooral sinds de aanslagen in de VS van 11 september 2001 uiterst actief is geworden, vormt een nieuwe bedreiging voor journalisten die uit zijn op waarheidsvinding. Davies illustreert dat overtuigend aan de hand van de stroom berichten over de Jordaanse terrorist Abu Musab al-Zarqawi, die volgens de regering-Bush aantoonden dat er een link bestond tussen Irak en Al-Qaida.
Al-Zarqawi was een onbeduidende radicale islamist en terrorist die het gemunt had op het Jordaanse koningshuis. In de internationale media kreeg hij geen aandacht. Op 7 oktober 2002, ruim een jaar na de aanslagen van 11 september en met de Irak-oorlog in volle voorbereiding, kwam daar verandering in: president Bush omschreef hem als een leider van Al-Qaida die in Irak een medische behandeling onderging en chemische en biologische aanvallen voorbereidde.
Vier maanden later vulde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell het verhaal aan in zijn toespraak tot de Veiligheidsraad. Hij stelde dat Irak onderdak zou verlenen aan een terroristennetwerk onder leiding van Al-Zarqawi. Irak zou voor deze groep, Ansar al-Islam geheten, een ‘toevluchtsoord’ zijn en het netwerk zou zich bezighouden met trainingen in het gebruik van gif en explosieven. Net als Bush zei Powell dat Al-Zarqawi aan Al-Qaida verbonden was, maar ook dat hij aanslagen plande tegen verscheidene Europese landen. Verder zou Al-Zarqawi de moord op een Amerikaanse diplomaat in Amman in 2002 hebben gefinancierd. Deze en andere beweringen van Powell werden keer op keer herhaald door hoge Amerikaanse beleidsmakers en andere prominenten van de latere coalition of the willing.
De beweringen bleken later echter geheel of gedeeltelijk onjuist en in alle gevallen misleidend. Al-Zarqawi bleek inderdaad, na een verblijf in Afghanistan, naar Noord-Irak te zijn gevlucht, maar gaf daar geen leiding aan de terroristenclub van Ansar al-Islam. Belangrijker nog, Saddam Hoessein verschafte Ansar al-Islam geen toevluchtsoord, integendeel zelfs: Saddam was er juist op uit Al-Zarqawi gevangen te nemen omdat hij de man als een bedreiging beschouwde, zo bleek uit later onderzoek van de Senate Intelligence Committee. Ook bleek de beschuldiging dat Ansar al-Islam werkte aan gif- en explosieventrainingen niet te kloppen. Toen een journalist van de Observer het kamp van de terroristen bezocht werd enkel een potje rattengif gevonden.
Dat Al-Zarqawi aan Al-Qaida verbonden was klopte evenmin. Zijn groepering, Al-Tawhid, was juist een concurrent van Osama bin Laden en beschouwde niet de Verenigde Staten, maar de regeringen in het Midden-Oosten als belangrijkste doelwit, zoals wederom de Observer onthulde na onderzoek naar de ondervragingen van naaste medewerkers van Al-Zarqawi.
Of Al-Zarqawi aanslagen plande in Europese landen is zeer de vraag. Hij had enig contact met sympathisanten in Duitsland en zou daar een aanslag gepland kunnen hebben, maar voor aanslagen in andere landen bestaan geen aanwijzingen. Ook de betrokkenheid van Al-Zarqawi bij de moord op de Amerikaanse diplomaat in Amman is omstreden. De gearresteerde dader gaf toe dat Al-Zarqawi hem geld had gestuurd, maar het is onduidelijk of hij de waarheid sprak of toegaf aan de marteling die aan zijn uitlating voorafging. Feit is in ieder geval dat de aanslag tot twee keer toe is opgeëist door een andere groepering, waarmee Al-Zarqawi niets te maken had.
Een jaar later bracht de Amerikaanse regering Al-Zarqawi wederom groot in het nieuws. Kende de Amerikaanse propaganda volgens Davies in bovenstaand geval nog een zeker ad hoc karakter, ditmaal was sprake van georganiseerde misleiding, van ‘strategic communications’. De propaganda van de regering-Bush kreeg een ‘permanent’ karakter. Aan de hand van een vermeende brief van Al-Zarqawi aan de leiders van Al-Qaida die in februari 2004 openbaar werd gemaakt, geeft Davies een impressie van de omvang van het propaganda-apparaat.
De brief verscheen op 9 februari 2004 in de media. Een journalist van de New York Times publiceerde delen ervan en schreef dat Al-Zarqawi zijn soennitische medestrijders erin opriep aanslagen te plegen op de shiitische bevolking van Irak met het doel een burgeroorlog uit te lokken. Al-Zarqawi zou geschreven hebben dat dit ‘de enige manier (is) waarop we de duur van het gevecht tussen de ongelovigen en ons kunnen verlengen’. Een dag later beweerde een Amerikaanse generaal tijdens een persconferentie dat het bericht uit de krant geloofwaardig was en dat de strijdkrachten de brief serieus namen. Volgens hem was er ‘duidelijk een plan van de kant van buitenstaanders om dit land binnen te gaan en een burgeroorlog te ontketenen, sektarisch geweld te creëren, kloven in deze samenleving proberen bloot te leggen’.
Dagenlang werd het verhaal gevoed door Amerikaanse beleidsmakers, vergelijkbaar met hetgeen gebeurde na Powells toespraak. Ook werden opeens veel aanslagen in Irak aan Al-Zarqawi toegeschreven. Het resultaat was dat de Jordaanse terrorist de belangrijkste figuur werd in de berichtgeving over de opstand in Irak. ‘Iedere soldaat in Irak zoekt naar Al-Zarqawi’, zoals de Amerikaanse generaal het verwoordde.
Dankzij de waakzame Washington Post-journalist Tom Ricks weten we sinds april 2006, ruim twee jaar na het opduiken van de brief, dat die een schoolvoorbeeld was van ‘strategic communications’, een misleidend product van de duistere propagandaschakel van – in dit geval – de Amerikaanse regering. Dat blijkt uit twee pagina’s van een presentatie die was voorbereid voor een Amerikaanse generaal van de Multi-National Force (de coalitiestrijdkrachten in Irak) waarop Ricks de hand wist te leggen. Uit de eerste kan worden opgemaakt dat de brief van Al-Zarqawi deel uitmaakte van een poging om het negatieve beeld van de opstand in Irak bij te sturen. Via een ‘selectief lek’ zou de brief aan de journalist van de New York Times worden toegespeeld. De tweede pagina gaat over het resultaat van de campagne. Er wordt geconcludeerd dat ‘door agressieve stategic communications (…) Al-Zarqawi nu het terrorisme in Irak symboliseert’. En verder staat er te lezen: ‘Effect: het uitschakelen van volkssteun voor een potentieel sympathieke opstand’.
De brief was dus bedoeld om een bepaald beeld van de opstand in Irak te creëren, een beeld dat niet strookte met de werkelijkheid. Tegelijk moest hij de Iraakse bevolking ertoe brengen af te zien van deelname aan de opstand. Daartoe moest de invloed van het buitenlandse element in de Iraakse opstand enorm worden overdreven. De media stelden zich in dit hele circus kritiekloos op. Zij fungeerden slechts als doorgeefluik. Kritische vragen, als ze al gesteld werden, kwamen pas veel later aan bod.
Maar kritische vragen lagen wel degelijk voor de hand, schrijft Davies, want er waren allerlei dubieuze aspecten aan het verschijnen van de brief, en veel van wat erin beweerd werd was simpelweg niet waar. De brief suggereerde bijvoorbeeld dat buitenlandse strijders (namelijk van Al-Qaida) verantwoordelijk waren voor de opstand in Irak. Onderzoeken leerden echter dat in feite Moqtada al-Sadr, die de shiitische rebellie leidde, en soennitische strijders grotendeels verantwoordelijk waren voor de onrust. Irakezen dus. Al-Qaida had in de opstand maar een betrekkelijk klein aandeel, minder dan tien procent. Daarnaast was de samenwerking tussen Al-Zarqawi en Bin Laden die uit de brief bleek onjuist. Pas in december 2004 zouden de twee een samenwerkingsverband sluiten.
Volgens Davies maakte het feit dat de brief de Amerikaanse agenda perfect diende hem bovendien ‘inherent verdacht’. Al-Zarqawi klaagde in de brief dat ‘de Amerikaanse strijdkrachten elke dag sterker werden (…), dat gewone Irakezen hem niet wilden steunen en dat de invoering van democratie zijn voorwendsel voor de strijd zou wegnemen’. Hij ging zelfs zo ver zijn vijand te prijzen: ‘Onze vijand wordt elke dag sterker en zijn inlichtingen nemen toe. Bij God, dit is verstikking.’ Een Amerikaanse generaal merkte dan ook op: ‘Dit document demonstreert in feite wat wij al die tijd hebben ingeschat.’
Tenslotte kon uit niets worden opgemaakt dat de brief daadwerkelijk door Al-Zarqawi was geschreven. Hij zou zijn aangetroffen op een cd-rom. Daar is uiteraard geen handschrift op te vinden. De brief was bovendien niet ondertekend. Daarnaast was hij geraffineerd geformuleerd, terwijl bekend was dat Al-Zarqawi allesbehalve een goede schrijver was.
Al deze dubieuze zaken zouden op zijn minst tot een uiterst sceptische houding van de media moeten hebben geleid, aldus Davies. Maar het tegenovergestelde gebeurde: ‘Verslaggevers slikten dit alles en meer met gemak en recycleden het.’ Dat is des te ernstiger daar rond deze tijd volstrekt duidelijk was dat veel uitlatingen van leden van de coalition of the willing, met name waar het massavernietigingswapens betrof, volstrekt onjuist waren geweest.
De berichten over Al-Zarqawi waren zeker niet het enige voorbeeld van propaganda voor en tijdens de oorlog van de kant van regering, inlichtingendiensten en leger. ‘Strategic communications’ waren wijd verbreid. De omvang wordt goed duidelijk wanneer Davies een artikel uit oktober 2003 opvoert van een oud-kolonel van de Amerikaanse luchtmacht, Sam Gardiner. In dit stuk – dat overigens vrijwel genegeerd is door de internationale media en volledig door de Nederlandse – analyseert Gardiner meer dan vijftig artikelen over de Irak-oorlog die hem opvielen. Hij checkt ze en gaat op zoek naar hun oorsprong. Zijn bevindingen zijn verontrustend. Ze maken duidelijk dat Al-Zarqawi slechts één voorbeeld is temidden van heel veel andere.
Zo zouden er Irakezen zijn geweest die, gekleed in Amerikaanse uniformen, gruwelijkheden pleegden, zouden Iraakse troepen doen alsof ze zich overgaven om vervolgens de Amerikaanse soldaten aan te vallen, en zouden de Irakezen kinderen inzetten in de oorlog. Ook zou Saddam Hoessein 3,5 miljard dollar op een Lybische bankrekening hebben, zouden de Russen Saddam in hun ambassade verstoppen en zouden de Fransen Saddam voorzien van raketten. Al deze verhalen waren, zo bleek na vier maanden onderzoek van de oud-kolonel, uiterst dubieus. Veel waren volledig onjuist. In het gunstigste geval ontbrak er enig bewijsmateriaal voor de beschuldigingen.
Van al deze verhalen stelde Gardiner vast dat ze hun oorsprong hadden in uitlatingen van ‘officiële bronnen’. Steeds weer was het een regering van de coalitie der bereidwilligen die een dergelijk verhaal de wereld in hielp. Als gevolg hiervan was het volgens Gardiner voor het Amerikaanse en Britse publiek onmogelijk achter de waarheid met betrekking tot de Irak-oorlog te komen.
Juist in een tijd waarin nieuws een ‘product’ was geworden en redacties zelden nog tijd hadden om informatie te checken die in toenemende mate afkomstig was van een groeiend leger pr-functionarissen en spin doctors, kreeg de journalist met de ‘stategic communications’ dus nóg een zware handicap te overwinnen. Het collectieve falen van de media in de berichtgeving over de oorlog toont dat zij daartegen niet zijn opgewassen. Het resultaat, aldus Davies: ‘Somewhere out there, the truth is dying.’
Bekijk de website over het boek.
Lees een recensie.