Aan de leden van de Tweede Kamerfractie van de Partij van de Arbeid
16 februari 2010
Betreft: PvdA-standpunt m.b.t. het rapport van de commissie-Davids
Geacht Kamerlid,
Als de schijn niet bedriegt, heeft uw fractie op voorhand besloten het kabinet tijdens het debat over het rapport-Davids te ontzien. Wij hoorden uw voorzitter Mariëtte Hamer haar tevredenheid uitspreken over de magere kabinetsreactie op het rapport. Zij toonde zich ingenomen met het feit dat het kabinet ‘ruiterlijk heeft toegegeven’ dat er in 2002-2003 fouten zijn gemaakt en dat er naar aanleiding daarvan enkele lessen zijn geformuleerd. Een parlementaire enquête is daarom niet meer nodig en politieke consequenties zijn niet aan de orde, aldus Hamer. Dinsdag nog even een debat, en dan is Irak ‘klaar’.
Wij spreken onze afkeuring, maar bovenal onze bezorgdheid uit over deze houding, waarmee de PvdA opnieuw zou aantonen partijpolitieke en persoonlijke belangen boven een zorgvuldige controle van het kabinetsbeleid en het daadwerkelijk leren van lessen te stellen.
Kabinetsreactie
De kabinetsreactie op het rapport-Davids is bovenal een toverformule om het
kabinet bijeen te houden. Inhoudelijk laat ze ernstig te wensen over. Vele
tientallen punten uit het rapport die om een reactie en debat smeken, worden
genegeerd. Het is nu aan de Kamerfracties deze punten alsnog aan de orde
te stellen en een route uit te stippelen die door middel van grondige reflectie
en debat recht doet aan de ernstige bevindingen van de commissie-Davids.
Gezien de uitspraak van Mariëtte Hamer tijdens het Irak-debat van 4
februari 2009 (‘We zijn nu begonnen aan de waarheidsvinding en houden
niet op tot alle vragen zijn beantwoord’) ligt het voor de hand dat
de PvdA-fractie hiertoe het voortouw neemt. Wij roepen u daartoe met klem
op.
Lessen
Het magere rijtje ‘geleerde lessen’ illustreert het armoedige
karakter van de kabinetsreactie. Een paar uitzonderingen daargelaten zijn deze ‘lessen’ niet
meer dan oude beleidsmaatregelen die voor de gelegenheid zijn gerecycled, en
de belofte van het kabinet dat het voortaan zijn werk naar behoren zal doen.
Het is nu aan de Kamerfracties om ervoor te zorgen dat er eindelijk serieus
lering wordt getrokken uit de kwestie-Irak, die Nederland in menig opzicht
in een moreel vacuüm heeft gebracht. Zaken als het steunen van een slecht
voorbereide en tot mislukken gedoemde oorlog, het gedogen van door onze bondgenoten
begane marteling en terreur, en het spotten met het internationaal recht en
de Veiligheidsraad, roepen de vraag op waar Nederland staat, of liever: waar
Nederland wíl staan. Het formuleren van een antwoord op deze vraag door
het parlement is in een volwassen democratie een opdracht die zich niet laat
wegmasseren met een opsomming van obligate ‘lessen’ en banale formuleringen
als ‘met de kennis van nu’ en ‘een adequater volkenrechtelijk
mandaat’. Daar hoort een sociaal-democratische partij over te waken.
Voorbeelden van punten waaruit hoognodig lering moet worden getrokken:
- In het najaar van 2002 en het voorjaar van 2003 stelde het kabinet herhaaldelijk dat Nederland zich in het vervolg niets meer van ‘één onredelijk veto’ in de Veiligheidsraad zal aantrekken. Vervolgens trok het zich de facto niets aan van drie dreigende veto’s met betrekking tot de door de Britten, Amerikanen en Spanjaarden ingediende ‘tweede resolutie’. De dwingende vragen die deze nieuwe beleidslijn met zich meebracht zijn zeven jaar na dato nog altijd niet beantwoord: wanneer trekt Nederland zich al dan niet nog iets van één of meer veto’s aan?; wie bepaalt of een veto ‘onredelijk’ is?; wegen de consequenties van het negeren van veto’s op tegen de kennelijke voordelen?
- Al twee generaties PvdA-senatoren hameren op duidelijkheid omtrent de toepassing van het ‘adequaat volkenrechtelijk mandaat’. Deze kwestie vormde de opmaat tot de commissie-Davids, die nu de gewenste duidelijkheid heeft gecreëerd. Het kabinet heeft de kwestie in haar reactie echter teruggevoerd naar het troebele water waar hij vandaan kwam, en u staat op het punt dat te formaliseren. Mocht u dat plan doorzetten, dan dient u zich te realiseren dat met betrekking tot Davids’ belangrijkste conclusie dus géén lessen worden getrokken, en dat u vanavond in feite beslist dat de discussie bij het volgende conflict heropend wordt. ‘Irak’ ligt dan direct weer ter tafel.
- Welke implicaties heeft de kabinetsconclusie dat voor de steun aan de Irak-oorlog ‘een adequater volkenrechtelijk mandaat’ nodig zou zijn geweest voor de ‘Notitie rechtsgrondslag en mandaat van missies met deelname van Nederlandse militaire eenheden’,>die tot dusver door de coalitiepartijen volstrekt verschillend is uitgelegd?
- Zoals Britse topmilitairen onlangs onbarmhartig signaleerden, vormde het gebrek aan voorbereiding van de wederopbouw van Irak een schending van de Conventie van Genève. Een bezettende mogendheid is immers verplicht voor onder meer deugdelijk bestuur en bescherming van de burgerbevolking te zorgen, zaken waarover de Coalition of the Willing amper bleek te hebben nagedacht. Nederlandse juristen wezen er bovendien op dat het gedogen door Nederland van de door de Coalition begane misdaden in Irak eveneens een schending van internationale verdragen als de Conventie van Genève betekenden. Vindt het parlement zulke schendingen ook in de toekomst te tolereren?
- Welke eisen stelt Nederland in het vervolg aan de voorbereiding van een oorlog, als harde toets voor eventuele betrokkenheid? Zijn wij in staat een deugdelijke analyse te maken van hetgeen voor militair ingrijpen in een land en de wederopbouw van een ontwrichte samenleving benodigd is? Of zijn wij overgeleverd aan analyses van derden? Zo ja, hoe beoordelen we de betrouwbaarheid daarvan?
- Welke lessen trekken we met betrekking tot ons vertrouwen in VN-wapeninspecties en vergelijkbare missies?
- Hoe staat het met de inlichtingenpositie en bevoegdheden van onze inlichtingendiensten?
- In hoeverre zijn de buitenlandse zusterdiensten en andere informatiebronnen van onze inlichtingendiensten te vertrouwen?
- Welke conclusies worden getrokken met betrekking tot bondgenoten die het, als het erop aankomt, niet zo nauw nemen met de waarheid?
Parlementaire enquête
De door Mariëtte Hamer verwoorde stelling dat een parlementaire enquête
overbodig is, uitgesproken nog voor het debat over het rapport-Davids heeft
plaatsgevonden, is bevreemdend. Want hangt de vraag of een enquête (of
welke vorm van aanvullend onderzoek ook) al dan niet noodzakelijk is niet mede
af van de antwoorden van het kabinet op de vele tientallen vragen die nog niet
aan de orde zijn geweest, en van de bereidheid van het kabinet om adequaat
lering te trekken uit de kwestie-Irak? En geven de afwijkende lezingen die
topambtenaren van Buitenlandse Zaken (in NRC Handelsblad), Jaap de Hoop Scheffer
(in de Volkskrant) en (eerder) Balkenende zelf van wezenlijke gebeurtenissen
gaven geen aanleiding tot debat over de vraag of aanvullend onderzoek gewenst
of zelfs noodzakelijk is? En geldt datzelfde niet voor de kritiek op de door
Davids gehanteerde methodiek bij het onderzoeken van mogelijke militaire betrokkenheid
bij de oorlog?
‘Ruiterlijk toegegeven’
Het kabinet heeft ‘ruiterlijk toegegeven’ dat er destijds fouten
zijn gemaakt, stelt Mariëtte Hamer. Je moet maar durven.
Jarenlang hebben de kabinetten-Balkenende geen middel onbeproefd gelaten om
te voorkomen dat de waarheid over de kwestie-Irak aan het licht zou komen.
Alles werd in het werk gesteld om pogingen tot waarheidsvinding te traineren
en een onderzoek tegen te houden. Keer op keer werden de Kamers en de burger
het bos ingestuurd met beschamende redeneringen. De kabinetten-Balkenende dreven
de spot met alle (fatsoens)regels en protocollen, onder meer door de Eerste
Kamer bijna acht maanden te laten wachten op halfbakken antwoorden op een honderdtal
vragen.
Zoals Saddam Hoessein destijds pas onder dreiging van militair ingrijpen zijn
medewerking verleende aan de wapeninspecties, zo besloot Balkenende pas met
het mes op de keel – oog in oog met een parlementaire enquête en
bedolven onder Kamervragen waarmee hij zich geen raad meer wist – tot
de vlucht naar voren die tot het rapport-Davids leidde. Vervolgens was er een
dreigende kabinetscrisis voor nodig om hem tot op zekere hoogte te doen erkennen
dat er destijds fouten zijn gemaakt.
Met ‘ruiterlijk toegeven’ heeft dit alles helemaal niets te maken.
Het ging én gaat de kabinetten-Balkenende maar om één
ding: politiek lijfsbehoud. En dat doel heiligt tot op de dag van vandaag alle
middelen.
Politieke consequenties
Mariëtte Hamer liet weten dat politieke consequenties niet aan de orde
zijn. ‘Het gaat erom of je elkaar kunt vertrouwen’, zei ze, daarmee
aangevend dat ze alle vertrouwen heeft in de hoofdpersonen in de kwestie-Irak,
premier Balkenende voorop. Rechtvaardigt het rapport van de commissie-Davids
die conclusie? Nee. Rechtvaardigt de voorgeschiedenis die conclusie? Nee. Rechtvaardigt
de kabinetsreactie die conclusie? Nee.
Eind 2002 en begin 2003 bediende het kabinet-Balkenende I zich op grote schaal van onwaarheden en ‘spin’ (halve waarheden, uit de context gelichte informatie van onder meer de wapeninspecteurs en Veiligheidsraadsleden, en houtje-touwtje-redeneringen in alle soorten en maten) om de oorlog te kunnen steunen. De Kamerbrieven en debatteksten terzake staan er bol van. In dit proces werd de Kamer zodanig op het verkeerde been gezet dat zij zich geen zuiver oordeel kon vormen. Was zij wél goed geïnformeerd, dan zou Nederland de oorlog hoogstwaarschijnlijk niet hebben gesteund.
In de jaren daarop trokken de kabinetten-Balkenende deze lijn moeiteloos door, inclusief het kabinet-Balkenende IV waaraan de PvdA deelneemt (zie onder meer de antwoorden van het kabinet op de ruim honderd Irak-vragen uit de Eerste Kamer). De documenten uit deze periode spreken wederom voor zich. Schaamteloos hield Balkenende ons bijvoorbeeld met grote regelmaat voor dat ‘de wapeninspecteurs van Unscom Irak zijn uitgegooid’. Een korte blik op de website van Unscom volstaat om die mantra als onwaarheid te ontmaskeren. Zou hij dat zelf ook niet weten?
Even schaamteloos was de wijze waarop de achtereenvolgende kabinetten de roep om een onderzoek smoorden. ‘Alles is al bekend’ (over onwaarheden gesproken), ‘Alles is keurig volgens de regels gegaan’ (idem), ‘Er is niets te verbergen’ (idem), ‘Terugkijken is zinloos’ en ‘Terugkijken met de kennis van nu is niet eerlijk’ – werkelijk niets bleef de burger bespaard.
Mariëtte Hamer heeft gelijk: het gaat erom of we het kabinet, en de premier in het bijzonder, kunnen vertrouwen. Het antwoord is ‘nee’. Daarover is geen discussie mogelijk. Onwaarheden vertellen, de Kamer onvoldoende informeren – alleen al die twee politieke doodzonden bezegelen Balkenendes lot. Nog los van de overvloedige onwaarheden en spin is er onder zijn leiding en verantwoordelijkheid teveel misgegaan om nog vertrouwen in hem te kunnen hebben. En dan is er nog de notie dat de Nederlandse premier straks te boek staat als regisseur van onze steun aan een illegale oorlog. Is dit alles geen reden meer om het politieke toneel te verlaten, dan is niets het meer.
Natuurlijk had Balkenende meteen zelf moeten opstappen. Dat is niet alleen een kwestie van ‘Fatsoen moet je doen’, maar bovenal van elementaire democratische hygiëne. Nu de premier opnieuw heeft aangetoond dat voor hem slechts zijn eigen politiek overleven telt, is het aan de Kamer om de geloofwaardigheid van de Haagse politiek nog enigszins in stand te houden. Een parlement dat partijpolitieke en persoonlijke belangen nog langer laat prevaleren boven het algemeen belang en het functioneren van de democratie, gooit die geloofwaardigheid te grabbel. De prijs daarvan is torenhoog: politici die zo nadrukkelijk de middelvinger opsteken naar de bevolking, hoeft het niet te verbazen dat die bevolking uiteindelijk in omgekeerde richting hetzelfde doet.
De commissie-Davids vraagt u een open debat te voeren over alle facetten van zijn rapport. Sinds februari 2009 is de PvdA verlost van de verlammende kabinetsafspraak, en werd met Hamers ‘all the way’ de oude koers hervat. Dit is het moment om die te vervolmaken, en te voorkomen dat de PvdA wat betreft ‘Irak’ onder de ‘bad guys’ eindigt.
Wij rekenen er daarom op dat de PvdA-fractie de door Mariëtte Hamer recent verwoorde lijn zal verlaten, en het politieke fatsoen zal opbrengen om de burger, de democratie en de kwestie-Irak serieus te nemen. Daarmee zichzelf een groot plezier doend.
Met dank voor uw aandacht,
en met vriendelijke groet,
namens de burgerbeweging Openheid over Irak,
Allard de Rooi
Oprichter
Internet: www.openheidoverIrak.nu
