Aan de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
16 februari 2010
Betreft: uw debat over het rapport van de commissie-Davids
Geachte dames en heren, leden van de Tweede Kamer,
Voorafgaand aan uw debat over het rapport van de commissie-Davids willen wij u nog eens expliciet wijzen op de conclusies uit dat rapport met betrekking tot uw eigen functioneren. In het komende debat staat niet alleen het kabinetsbeleid inzake ‘Irak’ ter discussie, maar ook de wijze waarop u dat hebt gecontroleerd. De commissie is van mening dat de Tweede Kamer de kwestie-Irak heeft verwaarloosd, en heeft nagelaten er een diepgaand debat aan te wijden. Ook maakt de commissie u het verwijt dat onderzoek te lang is uitgebleven. Wij vragen u om deze conclusies bij aanvang van het debat zonder omhaal tot de uwe te maken, ten teken aan de burger dat ook zijn volksvertegenwoordigers bereid zijn lering te trekken uit de kwestie-Irak.
Wij stellen vast dat uw functioneren inzake ‘Irak’ eerder vanuit de Eerste Kamer is bekritiseerd, en door zowel Openheid over Irak als de pers aan de kaak is gesteld. Ook stellen wij vast dat Openheid over Irak u in de loop der jaren veelvuldig heeft gewezen op, en gewaarschuwd voor, precies die punten waarvan Davids heeft vastgesteld dat ze niet deugden.
Wij roepen u op u als Tweede Kamer expliciet te verantwoorden voor het feit dat u zich zes jaar lang doof hebt gehouden voor ernstige feiten en verdenkingen, en hebt nagelaten waarheidsvinding na te streven. Dit heeft geleid tot onnodige onrust in de samenleving, tot polarisatie tussen groepen en partijen, en tot afgenomen vertrouwen in politiek en bestuur: in een democratie is het vertrouwen van de burger gekoppeld aan het zonder belemmering afleggen van verantwoording door de regering. Met uw handelen heeft u het kabinet de kans geboden die verantwoording jarenlang te ontlopen. Wij vragen u deze conclusies te onderschrijven en de bevolking ervan te overtuigen dat u zich in de toekomst wezenlijk anders zult opstellen.
Oorlog is geen partijpolitiek
De kern van het probleem is dat u jarenlang partijpolitieke belangen hebt laten
prevaleren boven het belang en het principiële recht van de burger om
de waarheid te kennen over zijn betrokkenheid bij een rampzalige oorlog – een
oorlog waar de bevolking nota bene in grote meerderheid tegen was. De les
die u ter harte dient te nemen is dat oorlog iets anders is dan de hypotheekrenteaftrek.
In een debat over een door Nederland gesteunde oorlog is geen ruimte voor
partijpolitiek gekonkel en de daarbij behorende argumentatie. U hebt allen
een kostbare eed afgelegd om op strikt onafhankelijke wijze de belangen van
de bevolking te dienen; daar is evident niets van terecht gekomen. Wij vragen
u deze conclusie Kamerbreed te onderschrijven, en in uw aankomende debat
van beterschap blijk te geven.
Kabinetsreactie
Ook het kabinet heeft van de commissie-Davids het verwijt gekregen dat onvoldoende
over de kwestie-Irak is gedebatteerd. Desondanks is de toegezegde ‘uitgebreide
kabinetsreactie’ op het rapport uitgebleven. Al luttele uren na publicatie
van het rapport-Davids werd de kwestie-Irak weer ondergeschikt gemaakt aan
partijpolitieke en persoonlijke belangen. De doelredenering van de coalitie
om ‘er samen uit te komen’ (i.c. politiek te overleven) werd
belangrijker geacht dan bijvoorbeeld de verhouding van Nederland ten opzichte
van het internationaal recht, of het terugwinnen van het vertrouwen van de
bevolking. Het is onbegrijpelijk dat daar vanuit de Tweede Kamer op is gereageerd
in termen als ‘een knap werkstuk’ en ‘een afgewogen verhaal’.
Resultaat is een kabinetsreactie die slechts ingaat op punten die oplosbaar of onvermijdelijk waren, in een terminologie die onverminderd uitblinkt in onduidelijkheid en ruimte laat voor interpretatie – waaronder zelfs persoonlijke herinneringen. Na zeven jaar obstructie en het incasseren van een uiterst gedetailleerd rapport van 550 pagina’s is dit geen manier van verantwoording afleggen. Om die reden wijst Openheid over Irak de kabinetsreactie als volstrekt onvoldoende van de hand, en roepen wij u op hetzelfde te doen.
Met klem vragen wij u daarnaast om expliciet afstand te nemen van passages als ‘te goeder trouw’ en andere zalvende terminologie waarmee het kabinet zichzelf in zijn reactie krediet verstrekt. Zeven jaar lang heeft het kabinet – de premier voorop – de bevolking en Kamer voorgehouden dat ‘alles al bekend’ was, dat er ‘niets te verbergen’ was, en dat men ‘te goeder trouw’ handelde. Het rapport-Davids heeft op even schokkende als overtuigende wijze aangetoond dat het kabinet al die jaren flauwekul verkondigde. Daar hoort door u een hard oordeel over te worden uitgesproken. Het predikaat ‘te goeder trouw’ reserveren wij graag voor een kabinet dat de lef had gehad om al in 2003 zijn eigen besluitvorming tegen het licht te houden.
Adequaat volkenrechtelijk mandaat
In zijn reactie laat het kabinet mist bestaan rond Davids' belangrijkste conclusie,
namelijk dat de door Nederland gesteunde oorlog tegen Irak een 'adequaat
volkenrechtelijk mandaat' ontbeerde. Het kabinet zegt te willen leren van
de kwestie-Irak, maar bewijst met zijn antwoord het tegendeel. Wat ons is
voorgeschoteld is een kopie van de inadequate reactie van het kabinet van
13 januari jl. Met de belofte van een serieuze reactie kwam het kabinet daar
verleden maand mee weg. Het is verbijsterend en onacceptabel dat vier weken
niet hebben volstaan om op het gebied van het volkenrecht tot een eenduidig
oordeel te komen.
Wij herinneren u aan de lange strijd die de Eerste Kamer met het kabinet heeft gevoerd om duidelijkheid te krijgen over het adequaat volkenrechtelijk mandaat. Nu – op verzoek van het kabinet zelf – een onafhankelijke commissie erover heeft geoordeeld, volhardt het kabinet desondanks in schimmige formuleringen ('met de kennis van nu') en eigen volkenrechtelijke interpretaties ('adequater mandaat'). Dat zijn precies de formuleringen en interpretaties die destijds ruimte boden aan de Irak-oorlog. Deze handelwijze achten wij onacceptabel.
Ook de verwijzing in de kabinetsreactie naar de bepaling in het regeerakkoord met betrekking tot het adequaat volkenrechtelijk mandaat wijzen wij van de hand. Die bepaling liet jarenlang diametraal tegengestelde interpretaties toe omtrent Nederlandse betrokkenheid bij een internationaal conflict, nota bene van de coalitiepartijen zelf. De kabinetsreactie laat die situatie intact, waardoor de kans op herhaling van ‘Irak’ blijft bestaan. Om te kunnen beoordelen wat het kabinet onder een adequaat volkenrechtelijk mandaat verstaat dient nu door u vastgesteld te worden of de oorlog tegen Irak op zo’n mandaat steunde.
Op grond van deze overwegingen stellen wij de Tweede Kamer de volgende vragen, waarop wij in uw debat een helder antwoord verwachten:
- Steunde de Irak-oorlog op een adequaat volkenrechtelijk mandaat: ja of nee?
- Zo nee, steunde Nederland een onrechtmatige (illegale) oorlog: ja of nee?
- Bestaat er met betrekking tot het adequaat volkenrechtelijk mandaat verschil
tussen 'met de kennis
van nu' en 'met de kennis van toen': ja of nee?
- Volkenrechtdeskundigen menen dat een 'adequater mandaat' niet bestaat. Een
mandaat is
adequaat of niet. Aldus geredeneerd is een 'adequater mandaat' in
feite hetzelfde als een
'adequaat mandaat'. Is dat de juiste interpretatie
van de door het kabinet gebruikte formulering:
ja of nee?
- Zo nee, kunt u de burger glashelder uitleggen wat met de formulering ‘adequater
mandaat’ wordt
bedoeld, en hoe dat begrip volkenrechtelijk gestalte krijgt?
- Betekent de bepaling in het regeerakkoord over het adequaat volkenrechtelijk
mandaat dat de
oorlog tegen Irak op zo’n mandaatsteunde: ja of nee?
- Zou u zich voor steun aan de Irak-oorlog hebben uitgesproken indien u had
geweten dat de
juridische onderbouwing van het kabinet in strijd was met het
internationaal recht?
Informatieverschaffing
Daarnaast gaat het kabinet in zijn reactie in op de constatering van de commissie-Davids
dat de regering de Tweede Kamer onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd.
Ook hierover laat het kabinet mist bestaan. Indien er namelijk sprake is
van de door Davids geconstateerde feiten, dan dient het kabinet onmiddellijk
zijn conclusies te trekken. Het is volstrekt onacceptabel dat de volksvertegenwoordiging
bij haar besluit tot het al dan niet steunen van een oorlog relevante informatie
is onthouden.
Wij zijn van mening dat indien de Tweede Kamer op de hoogte was geweest van de tekortschietende juridische onderbouwing van het kabinet, en had beschikt over de bevindingen van AIVD, MIVD en UNMOVIC, zich op 18 maart 2003 in meerderheid had uitgesproken tegen steun aan de Irak-oorlog. Wij vragen u dit standpunt te bevestigen of beargumenteerd te weerleggen.
Militaire steunDe kabinetsreactie laat ook mist bestaan rond het thema ‘militaire steun’. Vastgesteld is dat Nederland militaire steun heeft verleend aan (de voorbereiding van) de oorlog, maar dat dat gebeurde onder de vlag van specifieke missies. Deze constructie is een vorm van ‘Wörtspielerei’ die strenge afkeuring verdient. Het is moeilijk in te zien dat hiermee de internationale rechtsorde wordt bevorderd, zoals onze grondwet voorschrijft, en dat besluiten hiertoe moreel verantwoord zijn. Wij roepen u dan ook op om adequate maatregelen te treffen die deze ongewenste situatie in de toekomst uitsluiten.
Politieke consequenties
Tot slot is het opmerkelijk dat het kabinet in zijn reactie geen politieke
consequenties verbindt aan de lange reeks ernstige fouten die zijn gemaakt
c.q. in de kabinetsreactie nog steeds worden gemaakt. Daarmee bestendigt
het kabinet het beeld van falende bestuurders die zichzelf ongeacht de behaalde
resultaten belonen, zoals dat langzaam maar zeker universeel is geworden.
Welke gevolgen dit heeft voor de politieke verhoudingen en de betrokkenheid
van de burger, en uiteindelijk voor onze democratie zelf, is u genoegzaam
bekend.
Wij roepen u op dit voorbeeld niet te volgen, en bij uzelf na te gaan of uw eigen aanblijven na het echec-Irak verantwoord is. Er zijn door velen van u buitengewoon ernstige fouten gemaakt in de beoordeling van onze betrokkenheid bij een onwettige oorlog. Er zijn congsi’s gesmeed die de rechten van de burger hebben aangetast. En er zijn, dames en heren, door menigeen onder u structureel onwaarheden verkondigd. Zo zijn de wapeninspecteurs echt nog nooit ‘Irak uitgegooid’ – om een klassieker te noemen.
Het is aan de Tweede Kamer om de kwestie-Irak goed en verantwoord af te sluiten, en daarmee – voor het eerst en laatst – haar gezag te vestigen op dit onderwerp. Dat dient, analoog aan de oproep van de commissie-Davids, in alle openheid te geschieden, waarbij u uw politieke voorkeuren opbergt voor het nageslacht. Wij vertrouwen erop dat u de hierboven gestelde punten serieus adresseert, en zich er in heldere bewoordingen over uitspreekt.
Met dank voor uw aandacht,
namens de burgerbeweging Openheid over Irak,
Allard de Rooi
Oprichter
E-mail: openheidirak@live.nl
Internet: www.openheidoverIrak.nu
