| | 04-02-09 | ||
| | 26-02-08 | ||
| | 15-02-08 | ||
| | 19-12-07 | ||
| | 11-12-07 |
Brief aan de Tweede-Kamerfractie van de PvdA
|
|
| | 07-06-07 |
Brief aan de woordvoerder van premier Balkenende, dhr.
H. Brons
|
|
| | 28-02-07 |
Brief aan de leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal
|
|
| | 15-02-07 |
Brief aan de lokale PvdA-afdelingen
|
|
| | 02-02-07 |
Brief aan de Tweede-Kamerfractie van de PvdA
|
|
| | 05-01-07 |
Brief aan informateur Wijffels, de onderhandelaars van
CDA,
ChristenUnie en PvdA en de leden van de nieuwe Tweede Kamer |
|
| | 17-11-06 |
Persbericht betreffende de 'martelpublicatie' in de Volkskrant
|
|
| | 11-11-06 |
Brief aan premier Balkenende
|
|
| | 09-11-06 |
Brief aan de leden van de regering en de Staten-Generaal
|
|
| | 09-11-06 |
Bijlage: vragen en onzorgvuldigheden
|
|
Aan de leden van de Tweede Kamer
4 februari 2009
Geacht Kamerlid,
Vandaag bereikt de kwestie-Irak een nieuwe mijlpaal wanneer u oordeelt over het voorstel van premier Balkenende om een onafhankelijk onderzoek in te stellen. Wij vragen u het belang van ons, burgers van Nederland, nadrukkelijk in dat oordeel te betrekken. Zes jaar lang hebben wij moeten aanzien hoe de oorlog tegen Irak huishield in onze democratie. Hoe de Nederlandse betrokkenheid bij een omstreden oorlog tot partijpolitiek twistpunt werd gedevalueerd. Hoe in alle debatten vele wezenlijke vragen bleven liggen. Hoe tussen parlement en kabinet afspraken werden gemaakt waarmee de burger feitelijk uit zijn eigen democratie werd geschreven. Dat proces mag niet nog verder escaleren. Wij verzoeken u met klem daarop toe te zien met inachtneming van de volgende punten.
1. Het instellen van een onderzoek is primair úw werk, niet dat van de premier. De macht om de regering te controleren hoort in een parlementaire democratie bij de burger thuis. Het is onacceptabel dat het parlement die macht opnieuw uit handen geeft, en zich in zijn afwegingen primair zou laten leiden door het voorstel van de premier, wiens handelen nota bene zelf onderwerp van onderzoek is. Mocht u in navolging van de premier van mening zijn dat onderzoek nu urgent is, dan rest u geen andere weg dan dat als Tweede Kamer onverwijld zelf in te stellen. Wij herinneren u in dat verband aan de door bijna 140.000 Nederlanders ondertekende petitie voor het instellen van een parlementaire enquête, die wij in juli 2007 aan de Eerste Kamer aanboden.
2. Het voorstel van de premier houdt in dat wij dezer dagen – en negen maanden lang – geen antwoord krijgen van het kabinet op het grote aantal vragen dat de afgelopen weken door u is ingediend. Wij hebben echter het recht om, via u, vragen te stellen en die binnen afzienbare tijd beantwoord te krijgen. Dat recht is onvervreemdbaar, en kan geen uitstel verdragen. Wij roepen u op dit principe met hand en tand en Kamerbreed te verdedigen.
3. Het niet-verplichtende karakter van het door de premier voorgestelde onderzoek – inclusief het ontbreken van de mogelijkheid om betrokkenen onder ede te kunnen horen – heeft eerdere Irak-onderzoeken in andere landen nadelig beïnvloed. Wij wijzen bijvoorbeeld op de conclusies van de Britse Lagerhuiscommissie die in juli 2003 haar Irak-onderzoek publiceerde, en vaststelde dat deze handicap het onderzoek had gefrustreerd. Tot diezelfde conclusie kwam overigens de Raad van Europa inzake het Marty-rapport, en de commissie-Fava van het Europees Parlement inzake haar eindrapport over de ‘CIA-vluchten en rendition’. Tot de wegblijvers bij dat laatste onderzoek behoorde Jaap de Hoop Scheffer, die het verzoek om bij te dragen aan waarheidsvinding met het zinnetje ‘no intention to meet’ naast zich neerlegde. Zou dat straks anders zijn? Kunnen we erop vertrouwen dat De Hoop Scheffer volop meewerkt aan een onderzoek waarin zijn eigen handelen onderzocht wordt? Kunt u ons garanderen dat álle betrokkenen volop meewerken en dat álle noodzakelijke informatie wordt overlegd? Nee, dat kunt u niet. Dat vinden wij onacceptabel. En gezien de geschetste ervaringen verwachten wij dat u dat ook vindt.
4. Overigens begrepen wij eergisteravond uit de uitzending van Pauw & Witteman dat zowel een parlementaire enquête als een onafhankelijk onderzoek belangrijke voordelen kent. Het is ronduit pijnlijk om als burger te moeten aanzien hoe parlementariërs elkaar daarover in de haren vliegen, in plaats van te concluderen dat die voordelen kunnen worden samengevoegd tot één instrument. Wij verzoeken u dat alsnog te doen, en dat geperfectioneerde instrument in te zetten ten behoeve van waarheidsvinding inzake de kwestie-Irak.
5. Tot slot wijzen wij erop dat zich rond ‘Irak’ nieuwe onthullingen zullen blijven voordoen, zowel in binnen- als buitenland, met alle impact en nieuwe vragen van dien. Het uitblijven van antwoorden zal leiden tot meer maatschappelijke onrust en verder afnemend vertrouwen in overheid en politiek – een ontwikkeling die zijn weerslag zal hebben op het vertrouwen in het functioneren van het kabinet. Hoe slecht het al met dat vertrouwen is gesteld bleek uit de peilingen van de afgelopen anderhalve dag, die uitwijzen dat het plan van de premier wordt gezien als inadequaat, ongewenst, en door de helft van de bevolking zelfs als een manier om zijn verantwoording te ontlopen. Het is duidelijk dat Nederland aan zijn tax zit wat betreft ‘Irak’. Het is aan u om die situatie niet te laten voortbestaan.
Met dank voor uw aandacht,
en vriendelijke groet,
namens Openheid over Irak,
Allard de Rooi
E-mail: openheidirak@live.nl
26 februari 2008
In een open brief reageert 'Openheid over Irak' op uitlatingen van VVD-leider Mark Rutte. Die zei afgelopen week te hopen dat 'het kabinet zo gauw mogelijk ophoepelt'. De burgerbeweging wijst Rutte erop dat zijn partij de mogelijkheid daartoe in eigen hand heeft, namelijk door zich in het komende Eerste-Kamerdebat over Irak vóór een parlementaire enquête uit te spreken. Naar het zich laat aanzien zal het stemgedrag van de VVD-fractie de doorslag geven in dat debat, dat vermoedelijk in april plaatsvindt. In de Tweede Kamer kan de VVD de coalitie in verlegenheid brengen tijdens de twee aanstaande (spoed)debatten inzake Irak, onder andere over de onthullende NOVA-reportage van 14 februari jl. Een pleidooi van de VVD vóór een onderzoek naar de kwestie-Irak doet recht aan de veranderde opvattingen binnen de partij, meent 'Openheid over Irak'.
26 februari 2008
Aan de partijleider van de VVD, de heer Mark Rutte
Cc: VVD-bestuur; VVD-fracties; geselecteerde media
Geachte heer Rutte,
Met belangstelling namen wij kennis van uw pleidooi om het kabinet-Balkenende IV zo snel mogelijk naar huis te sturen. Wij wijzen u erop dat de VVD de mogelijkheid daartoe in eigen hand heeft. In de kwestie-Irak kan het stemgedrag van de VVD bepalend zijn voor het voortbestaan van het kabinet.
Die mogelijkheid doet recht aan de veranderde opvattingen binnen de VVD. Ons is gebleken dat de partij allang niet meer gekant is tegen een onderzoek naar de besluitvorming rond de steun aan de invasie van Irak. Nu niet langer de vraag centraal staat of men voor of tegen de oorlog was, hebben diverse VVD-prominenten zelfs openlijk voor een onderzoek gepleit. Hun argumenten zijn u bekend.
Dat die gewijzigde opvattingen niet hebben geleid tot een andere politieke opstelling in het parlement werd tot voor kort samengevat als 'De VVD kan nu even geen verkiezingen gebruiken'. Nu dit bezwaar door u resoluut is opgeheven, mag worden verwacht dat de VVD inzake de kwestie-Irak duidelijk stelling neemt in beide Kamers van de Staten-Generaal.
Tweede Kamer
In de Tweede Kamer vinden binnenkort twee (spoed)debatten plaats over de kwestie-Irak. Inzet zijn het Amerikaanse '935 onwaarheden-rapport' en de uitlatingen van bewindslieden uit het kabinet-Balkenende I in de uitzending van NOVA van 14 februari jl.
Beide onderwerpen zijn dermate ernstig dat zij een pleidooi ten bate van een parlementaire enquête verdienen. De reportage van NOVA verdient aparte vermelding. Negen van de veertien bewindslieden waarmee het programma sprak menen immers dat het besluit om de invasie van Irak te steunen was gebaseerd op 'twijfelachtige of onjuiste informatie'. Drie van hen bepleiten een onderzoek. Hopelijk bent u met ons van mening dat alleen al het feit dat het hier gaat om de primair verantwoordelijken van destijds aanleiding zou moeten zijn voor nader onderzoek. De premier wenst niet te luisteren naar anonieme bronnen. Dat is in dit geval hoogst onverantwoordelijk. Het gaat niet om zijn belangen, maar om die van de burgers.
Gezien de verhoudingen in de Tweede Kamer is de stem van de VVD weliswaar onvoldoende om een onderzoek af te dwingen, maar ruimschoots voldoende om de coalitie ernstig in verlegenheid te brengen. Daartoe volstaan enkele voor de hand liggende vragen. Mogen wij u de volgende suggesties aan de hand doen?
Kan de premier uitleggen waarom in de aanloop naar de oorlog door hemzelf, door minister De Hoop Scheffer en door andere CDA'ers vérgaande uitspraken zijn gedaan over Iraks massavernietigingswapens, terwijl hij sinds enkele jaren met klem van de hand wijst dat de Nederlandse steun aan de oorlog was gebaseerd op die wapens? Als dat laatste klopt, wat hadden die uitspraken dan te betekenen? Is ons overkomen wat de Amerikaanse bevolking getuige het '935 onwaarheden-rapport' is overkomen?
Kan het kabinet uitleggen hoe een toekomstig verzoek om steun aan een militaire campagne à la Irak tegemoet getreden wordt, en wat daarover nu precies de afspraken zijn? De PvdA beweert tot op de dag van vandaag dat het regeerakkoord een garantie biedt die herhaling van 'Irak' onmogelijk maakt. Maar in debatten in de Eerste en Tweede Kamer heeft minister Verhagen het bestaan van zo'n overeenkomst ontkend. Sterker: volgens hem is een herhaling van 'Irak' zeer wel mogelijk. Ruim een jaar na het verschijnen van het regeerakkoord heeft de burger het begrip 'adequaat volkenrechtelijk mandaat' uit het hoofd geleerd, maar is het kabinet niet bij machte uit te leggen wat het betekent en wanneer het van toepassing is. Moeten de burgers van 'de juridische hoofdstad van de wereld' wachten op het volgende militaire conflict om hierop een antwoord te krijgen?
Kan de PvdA uitleggen waarom zij zich niet houdt aan de belofte dat nieuwe feiten de partij bevrijden van de vage afspraak met de coalitiegenoten om een onderzoek te blokkeren?
Eerste Kamer
Anders dan in de Tweede Kamer heeft de VVD-fractie in de Eerste Kamer de regie volledig in handen. Naar verwachting debatteert de Senaat in april over Irak. Vijf (van de veertien) VVD-senatoren maken daar naar het zich laat aanzien het verschil tussen wél of geen parlementaire enquête.
Draaien
Loopt de VVD - zoals onlangs het CDA - het risico het verwijt te krijgen te 'draaien' wanneer ze voor een onderzoek stemt? Nee. Er is alle reden te besluiten dat de maat vol is met alle ernstige feiten en vragen die zich nu al vijf jaar, en inmiddels bijna wekelijks, opstapelen. Dat de tijd is gekomen om te luisteren naar de meerderheid van de bevolking die al vijf jaar wil dat de politiek haar verantwoording neemt en haar rotzooi opruimt. Graag herinneren we u in dit verband aan de 137.555 handtekeningen die wij in juli jl. aan uw Eerste- Kamercollega De Graaf aanboden.
Met vriendelijke groet,
namens de burgerbeweging 'Openheid over Irak',
15 februari 2008
In een nieuwe open brief aan de Tweede-Kamerfractie van de PvdA roept 'Openheid over Irak' de partij op gevolg te geven aan de nieuwe feiten die door NOVA werden gepresenteerd. In een onthullende reportage spraken negen bewindslieden uit het kabinet-Balkenende I hun twijfel uit over de juistheid van het begin 2003 door henzelf genomen besluit om steun te verlenen aan de oorlog tegen Irak. Drie voormalige kabinetsleden pleitten openlijk voor een onderzoek. Het feit dat nu zelfs binnen de inner circle van het kabinet twijfels en kritiek worden geuit is een verbijsterend nieuw gegeven dat onmiddellijke herziening van het PvdA-standpunt noodzakelijk maakt.
15 februari 2008
Aan de leden van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA
Cc: voorzitter PvdA; geselecteerde media
Geachte dames en heren,
Hierbij wijzen wij u op de nieuwe feiten inzake de kwestie-Irak die Nova gisteravond presenteerde. In een onthullende reportage spraken negen bewindslieden uit het kabinet-Balkenende I hun twijfel uit over de juistheid van het begin 2003 door henzelf genomen besluit om steun te verlenen aan de oorlog tegen Irak. Onder hen leden van het CDA en de VVD. De negen menen dat het besluit om de oorlog te steunen is genomen 'op basis van twijfelachtige of onjuiste informatie'. Er is onder andere sprake van bewust of onbewust verkeerd geïnterpreteerde informatie, van als feiten gepresenteerde vermoedens en van het blindvaren op buitenlandse inlichtingen bij gebrek aan eigen informatie. Drie leden vinden dit dermate ernstig dat zij openlijk voor een onderzoek pleiten.
Het feit dat nu zelfs binnen de inner circle van het kabinet twijfels en kritiek worden geuit is een verbijsterend nieuw gegeven dat onmiddellijke herziening van het PvdA-standpunt noodzakelijk maakt.
Op het PvdA-congres in Zwolle (februari 2007) gingen de leden morrend akkoord met het 'niet binnenhalen' van een onderzoek naar de Nederlandse steun aan de oorlog tegen Irak. Tegenover dit offer - 'Irak' was een kroonjuweel - stonden harde beloften:
1. In een Motie van Treurnis werd vastgelegd dat de PvdA onderzoek zou blijven entameren, logischerwijs a priori op het podium dat er het meest toe doet: binnen de Tweede-Kamerfractie. U bent die afspraak niet nagekomen.
2. Nieuwe feiten zouden de PvdA ontslaan van de afspraak met de coalitiegenoten om een onderzoek naar 'Irak' te blokkeren. In de loop van 2007, en zelfs in de afgelopen weken, zijn talloze nieuwe feiten gepasseerd, en vervolgens genegeerd. Daarmee werd ook deze afspraak geschonden, zowel door de fractie als door de PvdA-bewindslieden.
Hierbij sporen we u aan om de door Nova gepresenteerde nieuwe feiten aan te grijpen om de met de coalitiegenoten gemaakte afspraak ongeldig te verklaren en u onmiddellijk uit te spreken voor instelling van een parlementaire enquête. Daarmee doet u recht aan de binnen de partij gemaakte afspraken, aan de wens van de overgrote meerderheid der PvdA'ers (en Nederlanders), en aan de kern van onze sociaal-democratische waarden.
Bent u hier niet toe bereid, dan zullen wij deze kwestie aan de PvdA-leden voorleggen, om langs die weg af te dwingen dat u uw beloften nakomt.
Met vriendelijke groet,
namens de burgerbeweging 'Openheid over Irak',
Allard de Rooi
Oprichter
E-mail: openheidirak@live.nl
19 december 2007
In een tweede brief aan de Tweede-Kamerfractie van de PvdA - een vervolg op de brief van 11 december - concludeert 'Openheid over Irak' dat de fractie opnieuw geen gevolg heeft gegeven aan de beloften die de PvdA in februari 2007 aan haar achterban heeft gedaan. Zo negeerde de fractie de nieuwe feiten die voormalig minister Ben Bot op 8 december openbaarde, en werd in het aansluitende debatje hierover opnieuw geen inhoud gegeven aan de Motie van Treurnis. 'Openheid over Irak' wil nu van de fractie weten hoe deze van plan is de PvdA-beloften na te komen.
19 december 2007
Aan de leden van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA
CC: voorzitter PvdA, geselecteerde media
Geachte dames en heren,
Wij hebben kennis genomen van het Irak-debatje in het vragenuur van dinsdag 11 december jl. Wij vinden het pijnlijk en teleurstellend om te moeten concluderen dat de PvdA hoegenaamd geen bijdrage aan dit debat heeft geleverd, en niets heeft ondernomen in de lijn van de e-mail die wij u voorafgaand aan het debat stuurden.
De Motie van Treurnis en de 'nieuwe feiten'-clausule indachtig was dit een uitgelezen moment om inhoud te geven aan de beloften die het 'niet binnenhalen' van het Irak-onderzoek voor de PvdA dragelijk moesten maken. Het interview met Ben Bot in NRC Handelsblad bood uitstekende mogelijkheden om de broodnodige parlementaire enquête dichterbij te brengen. Tot veler verbijstering heeft u niet eens getracht ze te benutten.
We spreken u nogmaals aan op uw expliciete beloften aan uw kiezers en aan de bevolking, die in overgrote meerderheid wil dat er eindelijk openheid van zaken wordt gegeven rond 'Irak'. Na het verbreken van uw verkiezingsbelofte dat 'met de PvdA in de regering de onderste steen boven zal komen', beloofde u het debat hierover te zullen blijven entameren. Ook zou u nieuwe feiten aangrijpen om op onderzoek aan te dringen. U doet echter het tegenovergestelde. Hoe kan de burger u serieus nemen als u hem niet serieus neemt?
Eerder dit jaar mochten we al beleven dat een derde belofte, die rond het 'adequaat volkenrechtelijk mandaat', loos bleek te zijn. Minister Verhagen ontkende zelfs doodleuk dat er binnen de coalitie afspraken waren gemaakt om ons voor een herhaling van 'Irak' te behoeden. Over nieuwe feiten gesproken. Erger nog, namens het PvdA-kabinet kan diezelfde Verhagen rustig beweren dat aan onze steun aan de Irak-oorlog zo'n mandaat ten grondslag heeft gelegen. Voor kritiek op die redenering moet je tegenwoordig bij het CDA zijn, i.c. bij minister van Staat Peter Kooijmans. De realiteit is dat Nederland verder van een enquête is verwijderd dan ooit tevoren. Dát is 'het verschil met de PvdA in de regering'.
U heeft inzake 'Irak' het door de PvdA-leden met pijn in het hart verleende vertrouwen beschaamd. Niets verraadt dat u ook maar enige interesse hebt in de oprechte zorgen en terechte vragen van uw eigen kiezers. Het naargeestige optreden van woordvoerder Van Dam op 11 december was een nieuw dieptepunt, een PvdA-volksvertegenwoordiger onwaardig. Mogen we erop rekenen dat u beschamende dooddoeners, zoals omtrent het branden van cd'tjes, voortaan voor de huiskamer bewaart? Die hebben we de afgelopen vijf jaar genoeg gehoord.
Het interview met Ben Bot heeft ten overvloede duidelijk gemaakt dat er geen valide redenen bestaan om een parlementaire enquête te blokkeren. Dat weet Wouter Bos, dat weet Jacques Tichelaar, dat weet u, dat weten wij allemaal. Het landsbelang en het basale recht van de burger om te weten wat er precies is gebeurd zijn ondergeschikt gemaakt aan het politieke lot van één persoon, premier Balkenende. Daar werkt u aan mee, willens en wetens, en ten koste van de met de PvdA-achterban gemaakte afspraken.
Wij herinneren u eraan dat uw positie een persoonlijke verantwoordelijkheid met zich meebrengt. U zit in de Kamer om de burger te dienen, niet het partijbelang, en al zeker niet dat van het kabinet, laat staan het privé-belang van de premier. U bent volksvertegenwoordiger. Uw taak is het controleren van de regering; daar hebt u een eed op gezworen.
Het is de allerhoogste tijd dat u inhoud geeft aan de aan de leden gedane beloften. De dossiers rond de CIA-vluchten, Afghanistan en Iran wijzen onomstotelijk uit dat 'Irak' zich in groot detail blijft herhalen. We kunnen niet wachten tot 2011 met het trekken van lering uit 'Irak'. We hebben al veel te lang gewacht. We verzoeken u dringend ons per omgaande te laten weten welke concrete stappen u gaat zetten om uw beloften na te komen.
Mogen wij u tenslotte de suggestie aan de hand doen om uw steun aan de Uruzgan-missie afhankelijk maken van een parlementaire enquête naar Irak? Wij zullen die zaak, zover nodig, graag voor u onderbouwen.
In afwachting van uw antwoord,
namens 'Openheid over Irak',
Allard de Rooi
Initiatiefnemer 'Openheid', PvdA-lid
11 december 2007
In een brief aan de Tweede-Kamerfractie van de PvdA wijst 'Openheid over Irak' op de nieuwe feiten die naar voren kwamen uit het interview met voormalig minister Ben Bot in NRC Handelsblad van 8 december 2007. In de kabinetsformatie beloofde de PvdA de achterban dat zij zich ingeval van zulke feiten niet langer gebonden voelt aan de afspraak met de coalitiepartners CDA en ChristenUnie om een onderzoek naar de kwestie-Irak te blokkeren.
11 december 2007
Aan de leden van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA
Geachte dames en heren,
Wij hebben kennis genomen van het interview met voormalig minister Bot in NRC Handelsblad van zaterdag 8 december jl. De uitlatingen van de heer Bot roepen vragen op, die wij graag door u beantwoord zouden zien.
Bot was als minister van Buitenlandse Zaken medeverantwoordelijk voor het Irak-beleid van de kabinetten-Balkenende II en III. Hij vindt dat die kabinetten inzake 'Irak' aan kritische zelfreflectie hadden moeten doen, en geeft daarvoor urgente redenen.
Nu de PvdA deel uitmaakt van het volgende kabinet-Balkenende, luidt de logische vraag aan de PvdA-fractie of zij het met Bot eens is dat - zeker in zaken van oorlog en vrede - binnen een coalitie ruimte moet bestaan voor kritische reflectie. Of meent zij dat zelfs de mildste vorm van onderzoek vermeden dient te worden? Mocht dit laatste het geval zijn, betekent dat volgens de PvdA dan dat een punt zoals door Bot genoemd (dat 'de vraag gesteld kan worden of de invasie van Irak wel verstandig was') in het kabinet niet aan de orde mag komen?
Daarnaast willen wij van de fractie weten of het in een PvdA-kabinet mogelijk is dat een minister die een zaak van nationaal belang aankaart 'het mes op de keel wordt gezet'. Niet alleen herkennen wij in dergelijk gedrag de in Nederland gangbare normen en waarden niet, bovendien is deze handelwijze wat betreft 'Irak' in direct conflict met de belangen en de veiligheid van burgers en militairen, in feite het hele land. Mogen wij er, als burgers van dit land, op vertrouwen dat met de PvdA in de regering iets dergelijks is uitgesloten? Is de fractie voorts van mening dat de PvdA tijdens de kabinetsformatie hetzelfde is overkomen als voormalig minister Bot in 2005?
Verder herinneren wij u aan uw toezegging dat de PvdA-fractie zich ingeval van
'nieuwe feiten' niet langer gebonden voelt aan de kennelijke afspraak met de
coalitiepartners om de broodnodige parlementaire enquête naar de kwestie-Irak
te blokkeren. De uitspraken van Bot bevatten een aantal belangwekkende nieuwe
feiten, die wij hieronder ten overvloede op een rijtje zetten in het vertrouwen
dat u van uw kant uw belofte aan ons en de overige leden van de PvdA gestand
zult doen. Afspraak is afspraak, tenslotte.
Nieuw feit 1.
Bot verklaart dat hij tijdens zijn ministerschap geen geloof hechtte aan het
formele regeringsstandpunt over de reden van de Nederlandse steun aan de invasie
van Irak. Hiermee maakt hij definitief duidelijk dat de sinds enkele jaren uitgedragen
formele argumentatie op z'n minst nooit unaniem door de regering is gedragen.
Het behoeft geen betoog dat hiermee het moment is gekomen om voor eens en altijd
duidelijkheid te scheppen op dit punt. Al bijna vijf jaar wordt de burger zijn
basale recht ontzegd om te weten wat de exacte reden voor de - ook uit zijn
naam verleende! - steun aan de oorlog tegen Irak was. In die periode zijn hem
drie lezingen voorgehouden:
- De betrokken bewindslieden, maar ook Tweede-Kamerleden, deden in de aanloop
naar de oorlog een lange reeks vérgaande uitspraken over Iraks massavernietigingswapen.
De boodschap van die angstaanjagende uitspraken was: Irak vormt een enorme bedreiging
en dient te ontwapenen en anders te worden ontwapend.
- Toen de wapens onvindbaar bleken en duidelijk werd dat de VS en het VK de
wereld om de tuin hadden geleid, begon de regering, geconfronteerd met kritische
vragen, de exclusiviteit van een ander argument te benadrukken: de inval werd
gesteund omdat Irak onvoldoende tegemoetkwam aan de VN-resoluties met betrekking
tot massavernietigingswapens. De logische vraag wat dan de betekenis was van
de lange reeks stellige uitspraken over Iraks massavernietigingswapens is nooit
beantwoord. Niettemin geldt deze lezing sindsdien als formeel regeringsstandpunt.
- In najaar 2006 en voorjaar 2007 maakten diverse VVD-prominenten duidelijk
dat het de regering, en met name regeringspartij VVD, destijds vooral om een
derde argument was gegaan: de val van de dictator en 'massamoordenaar' Saddam
Hoessein (i.c. regime change). Tussen de regels door viel dit argument
in de aanloop naar de oorlog ook van CDA-kant te beluisteren.
De uitspraken van Bot bieden de regering de gelegenheid eindelijk haar democratische
plicht na te komen om opheldering in deze schimmige zaak te verschaffen.
Nieuw feit 2.
Bot maakt duidelijk dat premier Balkenende hem in oktober 2005 inhoudelijk niet
tegensprak. Ook die vindt, zo blijkt nu, dat de invasie van Irak wellicht onverstandig
was geweest en nader onderzoek vereiste. Balkenende dwong Bot zijn woorden terug
te nemen omdat hij geen 'rotzooi' wenste terwijl hij zijn economische hervormingsplannen
doorvoerde. Nu die plannen zijn doorgevoerd staat derhalve niets een parlementaire
enquête meer in de weg.
Nieuw feit 3.
Bots uitspraken maken definitief duidelijk dat het blokkeren van een enquête
en zelfs het uit de weg gaan van wezenlijke vragen louter berustte op (partij)politieke
gronden, en dat de in dat verband aangevoerde potpourri van redenen (waaronder
zwaarwichtige zaken als de nationale veiligheid en het functioneren van de overheid)
gelegenheidsargumenten waren. Ook deze 'belemmeringen' voor het instellen van
een parlementaire enquête zijn dankzij de uitspraken van Bot opgeheven.
Nieuw feit 4.
Ronduit schokkend is dat de premier Bot toevertrouwde dat hij, teneinde een
parlementaire enquête naar 'Irak' te vermijden, zelfs de voor elke democratie
onontbeerlijke instrumenten 'eerlijkheid' en 'noodzaak tot leren' buiten werking
heeft gesteld. Hij vindt dat 'begrippen voor in de studeerkamer'. Wij hoeven
u, nemen wij aan, niet aan te sporen om de premier hier hard op aan te spreken
en excuses aan de bevolking te laten maken. Kunnen we er zeker van zijn dat
beide begrippen met ingang van heden in het regeringsbeleid leidinggevend zullen
zijn?
Nieuw feit 5.
Voor een partij die met een onderzoek naar Irak een kroonjuweel opgaf is het
niet te verteren dat de premier als excuus voor het vermijden van een parlementaire
enquête naar 'Irak' naar de PvdA wijst als partij die 'ook niet was geïnteresseerd
in eerlijkheid en leren', maar alleen in het 'maken van rotzooi'. Op het moment
dat Balkenende die uitspraak deed was de PvdA juist de aanjager van openheid
over Irak; 'Irak' was een typisch PvdA-issue. De beschuldiging van Balkenende
schreeuwt om adequate uitleg van de premier en een onverholen reactie van de
PvdA. Tenzij u van mening bent dat de premier uitgerekend met dit punt een steekhoudend
argument in handen heeft om een parlementaire enquête nog langer te blokkeren.
Het was in Zwolle dat de PvdA een Motie van Treurnis aannam, waarin de partij
plechtig beloofde zich te blijven inzetten voor een onderzoek naar 'Irak'. En
het zouden 'nieuwe feiten' zijn, die ons zouden verlossen van de klemmende deal
met de coalitiegenoten. Houdt u zich aan de afspraken, is onze concrete vraag?
En mochten bovenstaande argumenten onvoldoende zijn om u daartoe te bewegen,
dan heeft Bot u en ons gewaarschuwd voor wat er gebeurt als zelfs de meest voor
de hand liggende vragen worden vermeden: de geschiedenis herhaalt zich. Bot
wijst op de CIA-vluchten, maar hij had ook op Iran kunnen wijzen.
Dames en heren, levend in een democratie die zichzelf groot genoeg acht om dat kostbare goed rond de wereld te helpen verbreiden, hebt u de plicht om uw eigen huis op orde te brengen. Dat huis is wat 'Irak' betreft, zo is opnieuw duidelijk geworden, een zwijnenstal. Tachtig procent van de bevolking wil dat u hem uitmest.
Mocht u hier ondanks het bovenstaande van afzien, dan dient u één vraag luid en duidelijk te beantwoorden: wat is de reden dat er van de PvdA, het CDA en de ChristenUnie geen parlementaire enquête naar 'Irak' mag komen?
Met vriendelijke groet,
Namens de burgerbeweging 'Openheid over Irak',
7 juni 2007
In een open brief spreekt 'Openheid over Irak' (OOI) de woordvoerder van premier Balkenende aan op uitlatingen tegenover De Pers. De woordvoerder liet in het dagblad weten dat een burger die de premier in een artikel op internet in scherpe bewoordingen medeverantwoordelijk stelde voor de gevolgen van de oorlog tegen Irak 'nauwlettend in de gaten gehouden wordt'. OOI noemt de uitlatingen 'buitenproportioneel en onverstandig'. De beweging wijst er op dat talloze burgers op vergelijkbare wijze uiting geven aan hun verontwaardiging omtrent de weigering van de regering verantwoording af te leggen voor de omstreden steun aan de oorlog tegen Irak. Al jaren wil een flinke meerderheid van de Nederlanders dat er opening van zaken wordt gegeven rond die steun. OOI roept de woordvoerder op zich niet tot de burger, maar tot de premier te richten: 'Indien uw bezorgdheid om "dingen die mogelijk strafbaar zijn en niet door de beugel kunnen" oprecht is en u ongenuanceerde uitlatingen van verontwaardigde burgers wilt voorkomen, raden wij u dringend aan u in de eerste plaats tot de premier te richten.'
Ministerie van Algemene Zaken
T.a.v. de heer H. Brons, woordvoerder
Binnenhof 19
Postbus 20001
2500 EA Den Haag
Open brief
7 juni 2007
Geachte heer Brons,
Wij hebben kennis genomen van uw uitspraken in De Pers van 23 mei 2007 inzake Jeroen de Kreek, de burger die premier Balkenende zou 'stalken'. U zegt daarin dat De Kreek nauwlettend in de gaten gehouden wordt. U spreekt van mogelijke 'strafbaarheid of dingen die niet door de beugel kunnen'.
Uw uitlatingen roepen de vraag op waarom u een individuele burger zo vergaand en intimiderend via de media toespreekt. Wij nemen aan dat u bekend bent met de persoon en zijn argumenten. In dat licht bezien vinden wij uw optreden buitenproportioneel en onverstandig.
Indien uw bezorgdheid om 'dingen die mogelijk strafbaar zijn en niet door de beugel kunnen' oprecht is en u ongenuanceerde uitlatingen van verontwaardigde burgers wilt voorkomen, raden wij u dringend aan u in de eerste plaats tot de premier te richten. Zoals u weet is onder zijn regie de bevolking, tegen de uitdrukkelijke wens van 89 procent daarvan, medeverantwoordelijk gemaakt voor een op dubieuze gronden gestarte, roekeloze en ontspoorde oorlog, en bestaan er al jaren verdenkingen omtrent de manier waarop de premier in dit verband heeft geopereerd. 'Irak' is een nationaal schandaal, waarvan de impact op samenleving, krijgsmacht en politiek, en op het aanzien van Nederland in de wereld, ingrijpend is en zal blijven zolang de premier blijft weigeren adequaat verantwoording af te leggen.
Daarmee moet je als burger maar willen en kunnen leven. Velen kunnen dat niet. Zoals u weet toert 'Openheid over Irak' al meer dan twee maanden door het land om de verhalen aan te horen van burgers over hun gevoelens inzake 'Irak'. Wij hebben talloze mensen gesproken met vergelijkbare gevoelens als die van De Kreek. We noemen de bejaarde dame die haar geloof in de politiek en toekomst is kwijtgeraakt en zich vasthoudt aan ons burgerinitiatief; de schoonvader van een jonge man die in Uruzgan de Taliban 'de wind uit de zeilen moet nemen terwijl de regering een oorlog heeft gesteund die het terrorisme al jaren aanwakkert'; de Turkse officier die, gevlucht uit zijn vaderland, radeloos is vanwege de betrokkenheid van zijn nieuwe vaderland bij een 'leugenachtige, rampzalige oorlog'; de moeder van de marinier die al twee jaar weigert te spreken; de militairen die niet verder kunnen met wat zij hebben meegemaakt; de islamitische jongeren die zich vervreemd en opstandig voelen door het onrecht dat hun geloofsgenoten in Irak mede uit hun naam is aangedaan. We noemen u tot slot Jeroen de Kreek zelf: een begaafde en vredelievende man die niet kan leven met de gang van zaken en, getergd door zijn eigen overheid, verbaal weleens uit de bocht vliegt. Allemaal hebben ze terechte vragen die ze beantwoord willen zien; niet twee of drie, maar tien of twintig. En velen uiten hun verontwaardiging en frustratie in termen die 'mogelijk strafbaar zijn en niet door de beugel kunnen'.
De verontwaardiging in de samenleving over 'Irak' is groot, en dat weet u, zo goed als de premier het weet. Uit iedere opiniepeiling blijkt dat de meerderheid van de bevolking wil weten hoe het precies zit met alle aan het licht gekomen feiten. Feiten die wijzen op een ondeugdelijke besluitvorming in kabinet en Tweede Kamer; op het achterhouden van informatie door de regering; op mogelijke misleiding van het parlement en de bevolking; op verzwegen schietincidenten; op weggemoffelde mishandeling van Iraakse burgers; op heimelijke militaire steun aan de oorlog. Feiten die de veiligheid van Nederlandse burgers en militairen betreffen, nu en in de toekomst, hier en in het buitenland. Feiten die er op wijzen dat er iets grondig mis is met onze democratie, zoals dat ook blijkt uit het pact dat de regering en de regeringsfracties in de Tweede Kamer sloten over het tegenhouden van een onderzoek, uit de steeds terugkerende berichten over intimidatie van ambtenaren en zelfs bedreiging van (ex-)militairen.
Een regering die deze wantoestanden willens en wetens laat voortbestaan verliest haar gezag. Een regering die weigert zelf orde op zaken te stellen heeft geen moreel argument om zich te beklagen over de verontwaardiging die daarvan het gevolg is. Onze boodschap aan premier Balkenende is derhalve de volgende. Maak schoon schip inzake 'Irak'. Geef antwoord op de serieuze vragen vanuit de bevolking en zorg ervoor dat alle relevante documenten worden vrijgegeven. In het licht van de gebeurtenissen en de zware verantwoordelijkheid die hem is toebedeeld heeft de burger het recht zelf te kunnen beoordelen of de namens hem werkende bewindslieden en volksvertegenwoordigers adequaat hebben gehandeld en capabel zijn. En mocht u zich door ongenuanceerde uitlatingen van verontwaardigde burgers beschadigd of ten onrechte verdacht gemaakt voelen: voor u is dit dé mogelijkheid uw blazoen te zuiveren. U heeft die mogelijkheid in eigen hand. Wij zien het als onze burgerplicht u hierop te wijzen.
Met vriendelijke groet,
namens 'Openheid over Irak',
Allard de Rooi, Utrecht
Hein van Meeteren, Amsterdam
Paul Wolvekamp, Utrecht
Sylvia Pessireron, Utrecht
Martijn de Rooi, Hilversum
Maarten Wolvekamp, Amsterdam
Jeff Zimberlin, Hilversum
Juliaan Bakker, Amsterdam
Mark Pryce, Den Haag
28 februari 2007
'Openheid over Irak' roept de leden van de de Eerste en Tweede Kamer op om eigenstandig te besluiten tot een parlementaire enquête over de Nederlandse steun aan de oorlog tegen Irak. Recent onderzoek van het dagblad Metro wijst uit dat de beweging hierin wordt gesteund door 87 procent van de Nederlanders. Het zware middel van een enquête is nodig omdat onderzoeken van Zembla en NRC Handelsblad ernstige feiten aan het licht hebben gebracht. In bijgaande open brief worden vier gevallen beschreven waarin de Tweede Kamer door het kabinet cruciale informatie is onthouden. Had de Kamer die informatie wel gekend, dan is het waarschijnlijk dat zij haar steun aan de oorlog had onthouden. Het is niet acceptabel dat deze feiten worden verdoezeld met de kennelijke bedoeling om verantwoordelijke (voormalige) bewindslieden uit de wind te houden.
Aan de leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal
28 februari 2007
Geacht Kamerlid,
Uit onderzoek van het dagblad Metro bleek op 20 februari jl. dat 87 procent van de Nederlanders wil dat het nieuwe kabinet opening van zaken biedt omtrent de Nederlandse steun aan de oorlog tegen Irak. Wij zijn dan ook pijnlijk getroffen door het besluit van het kabinet om een onderzoek dienaangaande achterwege te laten, nota bene zonder daarvoor een plausibele verklaring te geven. Wij vinden het van het grootste belang dat Nederland zo snel mogelijk in het reine komt met deze pijnlijke episode, waaraan niet alleen tientallen prangende vragen, maar ook concrete verdenkingen van misleiding door (voormalige) bewindslieden kleven. Wij doen een dringend beroep op u om de niet mis te verstane boodschap van de bevolking alsnog te honoreren en om alles in het werk te stellen om de Kamer een onderzoek te laten instellen. Gezien de verdenkingen van misleiding komt daarvoor naar onze opvatting slechts één onderzoeksinstrument in aanmerking: dat van de parlementaire enquête.
Wij kennen het door de vorige kabinetten-Balkenende uitgedragen standpunt dat er inzake de Nederlandse steun aan de oorlog tegen Irak 'niets te verbergen valt'. Dat roept de vraag op waarom een onderzoek daaromtrent tot dusver door de Kamer is geblokkeerd.
Wij hebben kennis genomen van de door diverse (voormalige) bewindslieden aangevoerde redenen waarom een onderzoek of het vrijgeven van 'vertrouwelijke' documenten niet wenselijk zou zijn. Deze argumenten komen er kortgezegd op neer dat het functioneren van onze inlichtingendiensten en onze overheid in het algemeen belemmerd zou kunnen worden en dat de relatie met bevriende landen schade zou kunnen oplopen. Wij moeten concluderen dat deze redenen, afgezet tegen de enorme belangen die vóór onderzoek pleiten, niet steekhoudend zijn. Wij vragen ons bovendien af waarom het kabinet niet in staat zou zijn de noodzaak tot onderzoek aan bevriende landen uit te leggen. Tenslotte constateren wij dat in tal van andere bij de oorlog betrokken landen onderzoeken zijn ingesteld zonder dat het schip van staat averij opliep. Wij menen dat juist het onbeantwoord laten van de vele vragen onze overheid, regering en niet in de laatste plaats onze democratie grote schade berokkent en het aanzien van Nederland in het buitenland schaadt.
Wij hebben tevens kennis genomen van het standpunt van het CDA en de VVD dat 'alles over deze kwestie is gezegd' en 'alle antwoorden op de vragen te vinden zijn in de Handelingen van de Tweede Kamer'. Wij hebben de Handelingen minitieus doorgenomen en kunnen u meedelen dat de antwoorden op onze vragen er niet in terug te vinden zijn.
De belangrijkste reden voor het instellen van een onderzoek is dat er klaarheid wordt gebracht in de concrete verdenking dat de regering de Kamer meermalen onvolledig en onjuist heeft geïnformeerd en wellicht bewust heeft misleid. Hiervan zijn ons vier gevallen bekend:
- Op 15 april 2004 besteedde het tv-programma Zembla uitvoerig aandacht aan de wapeninspecteurs van de VN die, verdeeld over diverse missies, in Irak naar massavernietigingswapens hadden gezocht. Onder hen waren enkele Nederlanders. Zij vertelden in de uitzending twee dingen: dat het zo goed als zeker was dat Irak begin 2003 al jaren geen massavernietigingswapens meer bezat, én dat zij de Nederlandse regering daarvan meermalen op de hoogte hadden gesteld. Naar aanleiding van de uitzending bleek dat de Tweede Kamer hier niets van wist, terwijl de regering altijd met nadruk heeft gesteld dat ze de Kamer alle relevante informatie heeft doen toekomen.
- Geconfronteerd met de uitzending van Zembla ontkende minister Bot van Buitenlandse Zaken op 20 april 2004 tegenover de Kamer dat de regering voor de oorlog over informatie had beschikt waarin het bestaan van massavernietigingswapens in Irak werd betwijfeld. In het licht van het boven- en onderstaande moet deze opmerking als bezijden de waarheid worden gekwalificeerd.
- Uit diepgravend onderzoek van NRC Handelsblad, gepubliceerd op 12 juni 2004, bleek dat ook de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst vóór de oorlog grote twijfels had over de dreiging die volgens de regering van Irak zou uitgaan. Net als de informatie over de wapeninspecteurs was ook dát de Kamer niet meegedeeld.
- Premier Balkenende liet op 18 maart 2003 weten dat aan de Nederlandse steun aan de oorlog 'een sluitende juridische redenering' ten grondslag lag. Maar op 12 juni 2004 bleek uit het onderzoek van NRC Handelsblad dat de directies Juridische Zaken van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie de regering hadden laten weten dat de bedoelde redenering juist géén legitimatie van geweld tegen Irak bood en in strijd was met de internationale rechtsorde. Ook deze informatie bleek niet te zijn doorgegeven aan de Tweede Kamer.
Hoewel het onvolledig en onjuist informeren van de Kamer volgens de Nederlandse politieke mores geldt als doodzonde, heeft de Kamer toegestaan dat de betrokken (voormalige) bewindslieden iedere vorm van verantwoording voor het bovenstaande uit de weg gingen. Dat is des te ernstiger, daar de Kamer haar steun aan de Nederlandse deelname aan de oorlog vermoedelijk zou hebben onthouden wanneer zij wél volledig en correct was geïnformeerd. Het gedogen van dergelijke misstanden, met als enige kennelijke doel het uit de wind houden van de verantwoordelijken, is een praktijk een bananenrepubliek waardig. Alleen al de schíjn van zulke misstanden zou voor een zichzelf respecterend parlement aanleiding moeten zijn om een onderzoek in te stellen.
Het bovenstaande roept bovendien wezenlijke vragen op aangaande het functioneren van onze inlichtingendiensten, de genoemde directies Juridische Zaken en de overheid in het algemeen. Gezien hun grote belang voor de veiligheid van de bevolking, is het urgent dat het functioneren van de betreffende instanties diepgaand wordt onderzocht. Wij sluiten ons graag aan bij minister Bot, die de Kamer op 5 oktober 2005 meedeelde dat zo'n evaluatie belangrijk is voor de toekomst en het geen pas geeft 'om de hete brei heen te lopen'.
Tenslotte is het van het grootste belang dat wordt onderzocht hoe het heeft kunnen gebeuren dat Nederland zich medeverantwoordelijk heeft gemaakt voor een oorlog die niet alleen compleet is mislukt, maar ook nog eens is uitgelopen op een enorme ramp. Een ramp die niet alleen honderdduizenden onschuldigen het leven heeft gekost en een kleine vier miljoen Irakezen hun huizen heeft doen ontvluchten, maar bovendien de wereld onveiliger en onverdraagzamer heeft gemaakt en een groot conflict in het Midden-Oosten naderbij heeft gebracht. Waarom heeft de regering destijds de waarschuwingen dienaangaande van velerlei deskundigen naast zich neergelegd? Waarom heeft de regering, nota bene na het verschijnen van het Srebrenica-rapport, ingestemd met een oorlog die een duidelijk plan en een exit-strategy ontbeerde? Waarom heeft uitgerekend een demissionair kabinet deze enorme risico's genomen?
De vragen en verdenkingen zijn uitermate pijnlijk, met name voor de Nederlandse bevolking, die vrijwel unaniem tegen de steun aan de oorlog was. Maar in het licht van onze steun aan een onrechtmatige en volledig uit de hand gelopen veldtocht is het noodzakelijk dat ze onder ogen gezien en beantwoord c.q. onderzocht worden. Veel pijnlijker is het ze te laten voortbestaan totdat de omstandigheden verder uitstel onmogelijk maken. Uit naam van 87 procent van de Nederlanders dringen wij er bij u op aan ze onder ogen te zien en alles te doen wat binnen uw vermogen ligt om op alle punten schoon schip te maken. Het debat over de regeringsverklaring biedt daarvoor de ideale mogelijkheid.
Met dank voor uw aandacht,
namens 'Openheid over Irak',
Allard de Rooi
Hein van Meeteren
Initiatiefnemers
'Openheid over Irak' (OOI) is een burgerbeweging die ijvert voor onderzoek naar
de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog tegen Irak. Hierin wordt OOI gesteund
door 15.000 burgers, alsmede politieke partijen en maatschappelijke organisaties.
De website van OOI (www.OpenheidOverIrak.nu) bevat een database met uitvoerige
informatie over de oorlog en de Nederlandse betrokkenheid. Langs deze weg probeert
OOI te informeren, en publicatie en onderzoek te stimuleren.
15 februari 2007
'Openheid Over Irak' roept de lokale PvdA-afdelingen per brief op om tijdens
het aanstaande PvdA-congres een regeerakkoord waarin een onderzoek naar de Nederlandse
steun aan de Irak-oorlog ontbreekt niet te accepteren. In een toelichting bij
de brief zet OOI de argumenten daarvoor op een rijtje. Een regeringsmotto 'samen
werken, samen leven, samen zwijgen' past de PvdA niet en mág de partij
ook niet passen, aldus OOI. Zij roept de afdelingen op om tijdens het congres
moties van deze strekking, onder meer ingediend door de PvdA-afdeling Houten,
te steunen.
De Houtense moties zijn te lezen op www.pvdahouten.nl.
Oproep van het burgerplatform Openheid over Irak
aan de lokale afdelingen van de PvdA
15 februari 2007
Beste partijgenoot,
Het ziet ernaar uit dat de PvdA gaat instemmen met een regeerakkoord waarin een onderzoek naar de Nederlandse steun aan de oorlog tegen Irak ontbreekt. Namens tweederde van de PvdA-kiezers vragen wij u het niet zo ver te laten komen. Daarvoor bestaat een groot aantal belangrijke redenen, die we in onderstaande toelichting uiteenzetten.
Essentieel is dat de PvdA zich op grond van het voorliggende regeerakkoord in een onmogelijke positie manoeuvreert. Met de ommezwaai die de partij rond 'Irak' maakt van onvermoeibaar pleitbezorger van een onderzoek tot verdediger van de doofpot-Irak doet ze de eigen geloofwaardigheid zwaar geweld aan en maakt ze zich tot spreekbuis van schimmige CDA-belangen, die haaks staan op de eigen opvattingen.
Wij roepen u op alles te doen wat binnen uw vermogen ligt om deze ommezwaai ongedaan te maken. Een regeringsmotto 'samen werken, samen leven, samen zwijgen' past de PvdA niet en mág haar ook niet passen. Het is aan het CDA om de verantwoordelijkheid voor de doofpot-Irak te dragen. En mocht die verantwoordelijkheid een coalitie met de PvdA onmogelijk maken, dan is het aan het CDA om uit te leggen waarom dat het geval is.
Op het congres van zaterdag a.s. zullen diverse moties worden ingediend waarin de PvdA wordt gevraagd de gekozen koers te herzien. Een van de indieners is de afdeling Houten (zie www.pvdahouten.nl), gesteund door andere afdelingen . Vrijdag is de definitieve tekst van de Houtense motie te lezen op de website van de afdeling. Wij vragen u contact met de afdeling op te nemen om uw steun te betuigen, en bovenal om zaterdag de moties te steunen. Het is van vitaal belang dat ze direct bijval krijgen van zoveel mogelijk afdelingen. Spreek u dus uit. Tweederde van de PvdA-kiezers vraagt dat van u.
Met dank voor uw aandacht,
namens 'Openheid over Irak',
Allard de Rooi
initiatiefnemer
TOELICHTING
op de oproep aan de PvdA-afdelingen
De PvdA heeft zich jarenlang vol overgave ingezet om de waarheid rond de Nederlandse
steun aan de oorlog tegen Irak boven tafel te krijgen. Onze Kamerleden hebben
de ene na de andere motie ingediend en iedere mogelijkheid aangegrepen om op
een onderzoek aan te dringen. Ook Wouter Bos en andere prominente PvdA'ers keerden
zich in alle toonaarden tegen de ondemocratische en ongeloofwaardige weigering
van de regeringspartijen om verantwoording voor de steun af te leggen. Hun kritiek
ging gepaard met een plechtige belofte: zodra de PvdA in de regering zou
komen, zou de partij er alles aan doen om zo snel mogelijk een onderzoek naar
de besluitvorming rond 'Irak' in te stellen. Die belofte was in de
verkiezingscampagne een van de PvdA-speerpunten.
Tot verbijstering van velen is deze keiharde belofte in de formatiebesprekingen ingeslikt. De verklaring daarvoor luidt dat een onderzoek voor het CDA onbespreekbaar is. Waarom dat zo is weigerden Balkenende en Verhagen te zeggen, verklaarde Wouter Bos. Desondanks stemde hij in met hun eis: het komende kabinet zal geen onderzoek instellen.
De ommezwaai van Bos en Tichelaar heeft alom tot onbegrip en harde kritiek ('draaikonterij', 'koehandel') geleid. Uit een opiniepeiling van EénVandaag blijkt dat liefst tweederde van de PvdA-stemmers het niet eens is met het laten vallen van dit wezenlijke punt. Illustratief voor het algemene onbegrip is dat de meerderheid van alle Nederlanders het bijkens de peiling onaanvaardbaar vindt.
De PvdA gooit met deze ommezwaai haar geloofwaardigheid op een bizarre manier te grabbel. Van onvermoeibaar strijder voor de waarheid maakt zij zich plots tot verdediger van de zwijgcultuur, van het opzichtig verdoezelen van wezenlijke informatie, van een ordinaire doofpot waarvan de inhoud het daglicht kennelijk niet verdragen kan. De opiniepeiling is ook in dit opzicht duidelijk: 54 procent van de bevolking en 63 procent van de PvdA-kiezers vindt dat de PvdA het thema 'in de doofpot stopt'. Duidelijk zijn ook de PvdA-prominenten Jan Pronk, Klaas de Vries, Erik Jurgens en Bram Stemerdink die zich hier de afgelopen dagen over uitlieten: het 'gedogen' van de ernstige verdenking dat er van alles te verbergen valt is volstrekt onacceptabel.
Stelt u zich de taferelen eens voor die ons dankzij de koerswijziging te wachten
staan tijdens Kamerdebatten over dit thema: PvdA'ers die het volstrekt eens
zijn met de eis tot een onderzoek, maar tegen iedere motie die daartoe oproept
stemmen omdat het thema voor het CDA onbespreekbaar is, al weet binnen de PvdA
niemand waarom. De PvdA als verdediger van schimmige CDA-belangen die tegen
de eigen opvattingen indruisen: zou er binnen de partij iemand te vinden zijn
die kan uitleggen waarom de PvdA zich deze Kop van Jut-rol aanmeet? Om nog maar
te zwijgen van de knoop waarin de partij raakt wanneer toekomstige onthullingen
een onderzoek nóg urgenter maken dan het al is. Is het vreemd dat bijna
éénvijfde van de PvdA-kiezers vanwege dit punt overweegt bij volgende
verkiezingen op een andere partij te stemmen, zoals uit de bovengenoemde
peiling blijkt?
Wouter Bos en Jacques Tichelaar wijzen trots op hetgeen zij wél hebben
bereikt: de afspraak met CDA en ChristenUnie dat Nederland de komende vier jaar
alleen nog onder mandaat van de Veiligheidsraad aan missies in conflictgebieden
zal deelnemen. Als het blijkbaar nodig is afspraken te maken over zoiets vanzelfsprekends
als handhaving van de internationale rechtsorde is dat een belangrijk resultaat,
maar tegelijk slechts een klein pleistertje op een gapende wonde. Want de meest
wezenlijke vragen over het functioneren van onze bewindslieden, onze
overheid en onze democratie blijven onbeantwoord. Een kijkje
in de doofpot:
De Nederlandse steun aan de oorlog is ontsierd door tal van onzorgvuldigheden
en aantoonbare misleiding van parlement en bevolking door meerdere ministers.
Ook is de Tweede Kamer meermalen onvolledig of zelfs in het geheel niet ingelicht.
In feite weet het parlement nog altijd niet waarop onze steun voor de oorlog
gebaseerd was een bizarre en volstrekt onacceptabele sitiuatie.
We weten wel dat de motieven die onze bondgenoten aanvoerden leugenachtig
en oneigenlijk waren en dat de oorlog iedere rechtsgrond miste. In alle betrokken
landen, met Nederland als enige uitzondering, zijn daarom ofwel onderzoeken
ingesteld naar de besluitvorming, ofwel relevante documenten geopenbaard.
Ook is duidelijk dat er ernstige twijfel bestaat aan het functioneren
van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten en aan de communicatie tussen
deze diensten en de betrokken departementen en de regering. Met het oog op
de toekomst is het noodzakelijk dat deze twijfel wordt onderzocht en weggenomen.
Verder weten we dat onze regering heeft ingestemd met een invasie en
daaropvolgende bezetting die amper waren voorbereid, en het is noodzakelijk
dat wordt onderzocht hoe dat heeft kunnen gebeuren. Het is namelijk dat
roekeloze karakter van de oorlog dat Irak aan de rand van de afgrond heeft gebracht:
de honderdduizenden doden, vijf miljoen vluchtelingen en rampzalige vooruitzichten
stellen de wandaden van het boosaardige regime van Saddam Hussein in de schaduw.
Tenslotte weten we dat de oorlog de dreiging van een groot militair conflict
in de regio dichterbij heeft gebracht en het islamitisch radicalisme en terrorisme
niet heeft ingedamd, maar juist heeft aangewakkerd. Ook hier is de vraag:
hoe heeft dit in godsnaam kunnen gebeuren?
De pijnlijke werkelijkheid is dat wij u, ik, wij allemaal medeverantwoordelijk zijn voor dit desasteuze fiasco. Of liever gezegd: daar tegen onze uitdrukkelijke wens (want 89 procent van de bevolking was tegen de steun aan de oorlog) door het demissionaire kabinet Balkenende-I medeverantwoordelijk voor zijn gemaakt. Maar als we vragen waaróm dat nu eigenlijk is gebeurd, krijgen we al bijna vier jaar lang te horen dat ons dat niets aangaat. We worden het bos ingestuurd met drogredeneringen, die even oneigenlijk zijn als de Amerikaanse en Britse leugens achter de oorlog. We worden afgescheept met 'alles is al gezegd' (Balkenende), we worden vanwege ons aandringen uitgemaakt voor een 'grijsgedraaide 78-toerenplaat' (CDA-Kamerlid Ormel), we zouden 'oude koeien uit de sloot halen' (beoogd CDA-minister Eurlings). Geen middel en belediging wordt onbeproefd gelaten om ons ons democratische recht op informatie te onthouden. Blijkbaar is de prijs van de openbaarheid torenhoog.
Terecht hebben onze Kamerleden hard en onvermoeibaar oppositie gevoerd tegen deze schaamteloze praktijken. Ook zij liepen met hun vragen en pleidooien tegen een granieten muur op, maar wij zijn trots op hun principiële opstelling en vasthoudendheid. Dat willen we graag blijven.
Steun ons op www.OpenheidOverIrak.nu !
Openheid over Irak (OOI) is een burgerbeweging die ijvert voor
onderzoek naar de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog tegen Irak. OOI wordt
gesteund door 15.000 burgers, meerdere politieke partijen (waaronder de PvdA)
en een groot aantal maatschappelijke organisaties. De website van OOI bevat
een uitgebreide databank met informatie over de oorlog en de Nederlandse betrokkenheid
daarbij. Daarmee probeert OOI de burger te informeren en publicatie en onderzoek
te stimuleren.
2 februari 2007
'Openheid Over Irak' roept de Kamerleden van de PvdA per brief op alleen in te stemmen met een concept-regeerakkoord waarin een onderzoek naar de steun aan de Irak-oorlog is opgenomen. De Kamerleden worden herinnerd aan de urgentie van zo'n onderzoek en aan de harde belofte die de partij op dit punt aan de kiezer heeft gedaan. Ook worden ze er op gewezen dat een eventueel 'wegdealen' van dit punt de partij het verwijt zal opleveren de bestaande doofpotcultuur goed te keuren en te bestendigen.
Aan de leden van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA
2 februari 2007
Geacht Kamerlid,
Dezer dagen krijgt u het concept-regeerakkoord onder ogen. Wij verzoeken u met klem er op toe te zien dat hierin een prominente plaats is ingeruimd voor een parlementair onderzoek inzake de Nederlandse steun aan de oorlog tegen Irak.
Als geen ander heeft de PvdA de afgelopen jaren aangedrongen op openheid rond de besluitvorming die aan de Nederlandse steun ten grondslag ligt. Een besluitvorming die dermate schimmig en onzorgvuldig was dat in feite onduidelijk is op welke gronden Nederland de oorlog heeft gesteund, en of die gronden wel valide en juridisch in orde waren. Een besluitvorming die werd ontsierd door tal van radicale en pertinent onjuiste uitspraken van bewindslieden die duiden op hetzij pogingen tot misleiding van parlement en bevolking, hetzij stuitende incompetentie. Een besluitvorming waarin volledig voorbij is gegaan aan garanties betreffende de bezetting van het land, de toekomst en het welzijn van de Irakezen en een exit-strategie. Een besluitvorming die grote twijfel heeft gewekt aan het functioneren van onze inlichtingendiensten en (afdelingen van) sommige departementen, maar waarvoor (in de woorden van minister Kamp) geen verantwoording kan worden afgelegd 'omdat anders het functioneren van de inlichtingendiensten en de overheid in het algemeen wordt geschaad'.
De belangen die Kamp en andere bewindslieden hebben aangevoerd om een onderzoek naar 'Irak' te blokkeren wegen op geen enkele manier op tegen de belangen die vóór een onderzoek pleiten. Wat hier op het spel staat zijn de belangen van een goed functionerende internationale rechtsorde, van een goed functionerende parlementaire democratie en van gezonde verhoudingen tussen politiek en burger, gekenmerkt door wederzijds vertrouwen en wederzijdse betrokkenheid. Met hun opereren inzake 'Irak' hebben de bewindslieden blijk gegeven van grote minachting voor de controlerende taak van het parlement en de betrokkenheid van de burgers, die vrijwel unaniem tegen de steun aan de oorlog waren. De vervreemding van de burger van de politiek als gevolg van 'Irak' is aanzienlijk ernstiger dan de meeste politici (willen) denken.
De belangen waarmee Kamp c.s. schermen zijn bovendien onheus: in andere betrokken landen zijn of worden wél parlementaire onderzoeken uitgevoerd (VS, VK, Australië) of vertrouwelijke documenten openbaar gemaakt (Denemarken, Spanje), zonder dat hun overheden of inlichtingendiensten in chaos ten onder zijn gegaan. Mede gezien de rampzalige gevolgen van de oorlog, waarvoor Nederland en de Nederlandse burgers medeverantwoordelijk zijn, en het feit dat de regering nog altijd (en zo ongeveer als enige ter wereld) vasthoudt aan de juistheid van de missie, dringen wij er op aan dat u een parlementair onderzoek als ononderhandelbaar aanmerkt en binnen het voorgenomen beleid concreet agendeert. Alleen op die wijze kan worden gegarandeerd dat uit het verleden lering wordt getrokken en dat bij toekomstige ingrijpende besluiten de veiligheid en belangen van burgers en militairen worden gewaarborgd. Aleen op die wijze wordt recht gedaan aan de sedert 2003 door de PvdA met veel nadruk geëiste openheid, sedert 2004 in de vorm van een parlementair onderzoek. En alleen op die wijze kan een nieuwe regering onbesmet opereren op tal van vitale beleidsterreinen en een noodzakelijke basis leggen voor herstel van het vertrouwen tussen burger en politiek.
Het spreekt voor zich dat er de komende tijd door velen kritisch naar de PvdA zal worden gekeken. Een eventueel 'wegdealen' van het parlementair onderzoek, het afvlakken van impact of urgentie van het onderwerp of van eerder gedane uitspraken en eerder ingenomen standpunten, zal de partij veel onbegrip en kritiek ('draaikonterij') opleveren. Een nieuw kabinet dat niet op z'n minst een onderzoek naar 'Irak' instelt zal het verwijt krijgen de bestaande doofpotcultuur goed te keuren en te bestendigen.
Wij rekenen er op dat u in het aanstaande fractieoverleg en op het PvdA-congres borg zult staan voor onze elementaire rechten en belangen, en de door de PvdA in 2003 uitgezette koers vol overtuiging zult voortzetten. Ten overvloede: op onze website http://www.OpenheidOverIrak.nu kunt u terecht voor achtergrondinformatie, en kunt u kennis nemen van onze eisen, die door maar liefst 15.000 medeburgers - onder wie veel PvdA'ers - worden gesteund.
Met dank voor uw aandacht,
en met vriendelijke groet,
namens het burgerplatform 'Openheid over Irak',
Allard de Rooi
Initiatiefnemer
5 januari 2007
'Openheid Over Irak' dringt er bij informateur Wijffels op aan een
onderzoek naar de besluitvorming rond de steun aan de Irak-oorlog hoog op zijn
informatie-agenda te zetten. In de brief worden ook debelangrijkste vragen genoemd
die in zo'n onderzoek aan de orde dienen te komen. Een afschrift van de brief
is gestuurd aan de onderhandelaars van CDA, PvdA en ChristenUnie, en aan de
leden van de nieuwe Tweede Kamer.
5 januari 2007
Geachte heer Wijffels,
Namens de vele duizenden sympathisanten van het burgerplatform ‘Openheid
Over Irak’ verzoeken wij u met klem om het thema ‘onderzoek naar
de besluitvorming rond de Nederlandse steun aan de oorlog tegen Irak’
een prominente plaats toe te kennen op uw informatie-agenda.
De ramp waarop de oorlog is uitgelopen, het inhoudelijk, moreel en juridisch
omstreden karakter ervan, de ontoereikende voorbereiding en de onthutsende reeks
verkeerde inschattingen die op velerlei momenten – ook door onze regering
– zijn gemaakt, maken zo’n onderzoek naar onze overtuiging noodzakelijk.
In tal van andere betrokken landen is (c.q. wordt) onderzocht hoe het zover
heeft kunnen komen en welke lering uit het gebeurde moet worden getrokken. Over
die zekerheid dient ook de Nederlandse burger, die door het regeringsbesluit
medeverantwoordelijk is gemaakt voor de dramatische ontwikkelingen, te
beschikken. Zo’n onderzoek dient naar onze overtuiging de vorm te krijgen
van een parlementaire enquête.
Een onderzoek verdient mede uit democratisch oogpunt de grootste prioriteit.
De Nederlandse regering heeft tot dusver geen verantwoording afgelegd voor haar
besluit de oorlog te steunen, ondanks het omstreden karakter ervan (89 procent
van de Nederlanders was ertegen) en ondanks de tientallen wezenlijke vragen
die het heeft opgeroepen. Daarmee bewijst zij de democratie een verontrustende
dienst. Het is immers een wezenskenmerk van de democratie dat bewindslieden
verantwoording afleggen voor hun handelen. En het is een grondrecht van de burger
om over besluiten te worden geïnformeerd, zeker als die betrekking hebben
op oorlog & vrede, terrorisme, de internationale rechtsorde en het functioneren
van onze inlichtingendiensten, stuk voor stuk thema’s waarbij de
bestaanszekerheid van de burger direct in het geding is. Alleen zó kan
de burger beoordelen of de bewindslieden die voor en namens hem werken capabel
zijn, of het beleid bij hen wel in goede handen is en of ingrijpende toekomstige
besluiten hen wel zijn toevertrouwd. Door deze democratische grondregels te
negeren werkt de regering een ernstige vervreemding van de burger van de politiek
in de hand.
Tenslotte is een onderzoek noodzakelijk met het oog op het toekomstige buitenlandse
beleid - met name het Midden-Oostenbeleid - en de Nederlandse positie binnen
de Verenigde Naties. Het behoeft geen betoog dat de reputatie van Nederland
als bepleiter en beschermer van de internationale rechtsorde door de steun
aan de oorlog ernstige schade heeft opgelopen. Om weer een geloofwaardige en
vooraanstaande rol op het wereldtoneel te kunnen spelen, is het van het grootste
belang dat de tientallen vragen omtrent de steun aan de oorlog worden beantwoord.
Hieronder geven wij ten overvloede een beknopte opsomming van de belangrijkste
vragen die naar onze overtuiging in het kader van een onafhankelijk onderzoek
aan de orde moeten komen. Geen van deze vragen is tot dusver afdoende beantwoord.
- Op welke informatie was de Nederlandse steun aan de oorlog gebaseerd? Van
wie was die afkomstig, door welke partijen zijn de gegevens gewogen, en wat
waren de bevindingen? Hoe komt het dat de door de regering naar buiten gebrachte
informatie met grote regelmaat wezenlijk afweek van (en zelfs in tegenspraak
was met) informatie van de Nederlandse inlichtingendiensten, terwijl de
regering tegelijkertijd liet weten dat al haar informatie grondig door de diensten
was gecheckt? Hebben onze inlichtingendiensten adequaat gefunctioneerd? Was
(en is) de informatiestroom tussen diensten en regering op orde? Zijn alle andere
ter beschikking staande informatiekanalen voldoende benut? Hoe, en door wie,
is de informatie gewogen van de VN-wapeninspecteurs die naar eigen zeggen de
regering met regelmaat hebben laten weten dat van het regime in Irak geen wezenlijke
dreiging uitging?
- Welk doel dienden de stellige uitspraken van betrokken bewindslieden, onder
wie de premier, voorafgaand aan het regeringsbesluit over de verboden massavernietigingswapens
waarover het regime van Saddam Hussein zou beschikken? De regering had gerede
informatie (of diende die krachtens haar verantwoordelijkheid in elk geval te
kennen) waaruit bleek dat die uitspraken onjuist waren. Bovendien stelde zij
achteraf dat de massavernietigingswapens geen rol hadden gespeeld in haar besluit
de oorlog te steunen.
- Welke argumenten waren voor de regering doorslaggevend om het ‘pad van
de VN’ te verlaten en de oorlog te steunen op grond van de uiterst omstreden
(en niet door de Veiligheidsraad gesteunde) ‘stapelconstructie’
van resolutie 1441 plus enkele twaalf jaar oude resoluties, die volgens talloze
gezaghebbende instanties en deskundigen een schending van het internationale
recht inhield? Hoe, en door wie, zijn de hierbij in het geding zijnde belangen
(een aanval op Irak versus aantasting van de internationale rechtsorde) gewogen?
Op wiens oordeel is de overtuiging van de regering gegrondvest dat resolutie
1441 een sluitende juridische grondslag voor de oorlog bood? Hoe moeten, mede
met het oog op de toekomst, in dit licht de adviezen aan de regering worden
beoordeeld van o.a. de directies Juridische Zaken van de ministeries van Buitenlandse
Zaken en Defensie, die meenden dat resolutie 1441 juist geen grondslag voor
een oorlog bood? Waarom is aan hun adviezen voorbijgegaan? Zijn de directies
voldoende toegerust voor het geven van zulke adviezen?
- Klopt het dat één of meer medewerkers van Nederlandse inlichtingendiensten
op enig moment deel hebben uitgemaakt van teams van VN-wapeninspecteurs in Irak?
Was deze ‘detachering’ conform de regels van de VN en conform de
afspraken die de VN rond de missies met Irak heeft gemaakt? Is deze ‘detachering’
van invloed geweest op het verloop van de wapeninspecties, in het bijzonder
op de medewerking van het regime in Irak aan de inspecties? Wat was het doel
van de ‘detachering’ en welke informatie heeft zij opgeleverd? Heeft
deze informatie een rol gespeeld in de besluitvorming van de regering?
- Heeft de regering de Tweede Kamer zowel voor als na haar besluit steeds tijdig
en volledig geïnformeerd? Is alle beschikbare informatie met de Kamer gedeeld?
Is er op enig moment sprake geweest van geheime informatie die niet met de Kamer
of zelfs de Ministerraad gedeeld kon worden? Welke rol heeft die informatie
gespeeld in de Nederlandse besluitvorming? Hoe valt te verklaren dat de regering
zegt voorafgaand aan haar besluit alle beschikbare relevante informatie met
de Kamer te hebben gedeeld, maar Kamerleden nadien via de media moesten vernemen
dat VN-wapeninspecteurs de regering er herhaaldelijk op hadden gewezen dat het
regime in Irak vrijwel zeker niet over massavernietigingswapens beschikte? Hoe
moet de verklaring van de regering dat zij voorafgaand aan haar besluit geen
enkele informatie heeft gehad waarin aan het bestaan van massavernietigingswapens
in Irak werd getwijfeld worden beoordeeld, mede gezien de bevindingen van de
inlichtingendiensten die op dit punt in tegenspraak zijn met het regeringsstandpunt?
- Welke overwegingen hebben de regering ertoe gebracht in te stemmen met een
slecht voorbereide missie die zowel een plan voor de bezetting en wederopbouw
van Irak als een exit strategy ontbeerde? Hoe, en door wie, zijn de hierbij
in het geding zijnde belangen (een aanval op Irak versus het risico dat de missie
zou uitlopen op een uitzichtloze chaos en een toename van radicalisering en
terreur) gewogen? Welke stappen heeft de regering, alvorens haar steun aan de
oorlog te geven, gezet om zich te vergewissen van een afdoende planning en organisatie
van de oorlog en bezetting, alsmede van het bestaan van een afdoende exit strategy?
Wat waren de bevindingen van die analyse, en door wie is hij uitgevoerd?
Met dank voor uw aandacht,
hoogachtend,
Allard de Rooi en Hein van Meeteren
initiatiefnemers
Burgerinitiatief 'Openheid Over Irak' eist verantwoording van minster Kamp
voor marteling Iraakse gevangenen.
Persbericht
17 november 2006
Geachte heer/mevrouw,
Het burgerinitiatief 'Openheid Over Irak' eist dat minister van Defensie Kamp
vandaag nog volledige opheldering verschaft over de marteling van Iraakse gevangenen
in november 2003. De schending van de mensenrechten door Nederlandse militairen
is opnieuw een harde aanwijzing voor de onacceptabele onzorgvuldigheid waarvan
de betrokkenheid van de kabinetten-Balkenende bij de oorlog tegen Irak is doortrokken.
'Openheid Over Irak' eist dat de regering hiervoor nog voor de verkiezingen
van 22 november verantwoording aflegt. Op de website www.OpenheidOverIrak.nu
hebben zich in een week tijd al ruim 13.000 Nederlanders achter deze eis geschaard.
De Volkskrant meldde vanochtend dat medewerkers van de Militaire Inlichtingen
en Veiligheidsdienst (MIVD) zich in november 2003 schuldig hebben gemaakt aan
marteling van tientallen Iraakse gevangenen in de Zuid-Iraakse provincie Al-Muthanna.
Van de zomer van 2003 tot april 2005 waren Nederlandse troepen in deze provincie
gelegerd als onderdeel van een internationale 'stabilisatiemacht'. De marteling
vond volgens de Volkskrant plaats tijdens het verhoor van de gevangenen.
Volgens de krant waren de gehanteerde verhoormethoden niet de enige overtreding
van de regels. Ook ontbrak de juridisch adviseur die verplicht bij de verhoren
aanwezig had moeten zijn. Uit een geheime nota van de Directie Juridische Zaken
van het ministerie van Defensie zou bovendien blijken dat het verhoren van verdachten
helemaal niet tot de bevoegdheden van de Nederlandse eenheden behoorde.
De strafbare feiten zijn al jaren bekend bij de top van het ministerie van Defensie.
Betrokkenen kunnen zich 'niet herinneren' of zij minister Kamp op de hoogte
hebben gesteld. De voormalige Chef Defensiestaf Luuk Kroon heeft geen aangifte
gedaan bij het Openbaar Ministerie, hoewel de bevelhebber van de Koninklijke
Marechaussee hem dat dringend adviseerde.
Het heeft er alle schijn van dat de top van het ministerie heeft besloten de
affaire in de doofpot te stoppen. Nog verbijsterender is dat de regering in
mei 2004 op Kamervragen van GroenLinks antwoordde dat er in militaire en politieke
kringen niets bekend was over mishandeling van Iraakse gevangenen. Dat betekent
ofwel dat de regering zich niet op de hoogte heeft gesteld van de strafbare
feiten, ofwel er voor heeft gekozen deze in de doofpot te houden. Het burgerinitiatief
'Openheid Over Irak' eist dat minister Kamp vandaag nog volledige opheldering
geeft over deze kwestie.
Deze affaire is de zoveelste smet op de betrokkenheid van de kabinetten-Balkenende
bij de oorlog tegen en de daaropvolgende bezetting van Irak. De besluitvorming
rond de Nederlandse steun aan de oorlog in maart 2003 is omgeven met tal van
vragen. Maar ondanks talloze concrete onzorgvuldigheden en zelfs bewuste misleiding
van het parlement en de bevolking door diverse bewindslieden, weigert de regering
tot dusver aan haar democratische plicht tot het afleggen van verantwoording
te voldoen.
In een op 9 november gestarte actie eist 'Openheid Over Irak' dat de verantwoordelijke
bewindslieden, onder wie premier Balkenende, nog vóór de verkiezingen
van 22 november publiekelijk verantwoording afleggen. Alleen zó kan de
kiezer beoordelen of de betrokken bewindslieden wel te vertrouwen zijn en of
het nemen van toekomstige zware besluiten hen wel is toevertrouwd. 'Openheid
Over Irak' heeft deze eis vervat in open brieven aan premier Balkenende, de
regering en het parlement. De brieven zijn te lezen op www.OpenheidOverIrak.nu.
Op de site hebben zich in een week tijd ruim 13.000 Nederlanders achter het
initiatief geschaard.
Namens 'Openheid over Irak'
Allard de Rooi en Hein van Meeteren
Initiatiefnemers
Voor de redaktie:
Wilt u contact met ons opnemen, stuur dan een e-mail naar openheidirak@live.nl.
Voor vertegenwoordigers van de media: type a.u.b. het woord PERS in het onderwerpvenster
boven uw e-mailbericht.
11 november 2006
Open brief aan minister-president Balkenende.
Het burgerplatform 'Openheid over Irak' eist dat de regering verantwoording
aflegt voor haar steun aan de oorlog tegen Irak.
11 november 2006
Geachte heer Balkenende,
U heeft ongetwijfeld onze brief van eergisteren aan de regering en de Staten-Generaal
ontvangen, waarin wij eisen dat uw regering vóór 22 november a.s.
verantwoording aflegt voor haar besluit om de oorlog tegen Irak te steunen.
Met dat besluit heeft zij ons, burgers van Nederland, op oneigenlijke gronden
medeverantwoordelijk gemaakt voor een roekeloze oorlog die rampzalige gevolgen
heeft gekregen. Wij vinden het belangrijk onze eis aan u persoonlijk toe te
lichten. U was en bent immers de eerstverantwoordelijke voor het regeringsbesluit.
Uw consequente weigering om verantwoording af te leggen is om veel redenen onacceptabel
en verontrustend. Het is een wezenskenmerk van de democratie dat bewindslieden
verantwoording afleggen voor hun handelen. Het is een grondrecht van de burger
om te worden geïnformeerd. Alleen op deze wijze kan hij beoordelen of de
bewindslieden die voor en namens hem werken capabel zijn, of het beleid bij
hen in goede handen is en of zwaarwichtige toekomstige besluiten hen wel zijn
toevertrouwd.
Deze principes wegen het zwaarst op de terreinen waarop uw besluit betrekking
had: oorlog & vrede, terrorisme en de internationale rechtsorde zijn stuk
voor stuk thema's waarbij de bestaanszekerheid van de burger direct in het geding
is.
Bovendien was uw besluit uiterst omstreden. Alom bestond twijfel aan de inhoudelijke,
juridische en morele grondslagen. U stelde dat er in de samenleving geen draagvlak
was voor militaire steun. Dat was er óók niet voor de door u uitgesproken
'politieke' steun; maar liefst 89 procent van de bevolking was daartegen. Dat
maakte ultieme zorgvuldigheid en openheid tot een dure plicht. Aan die plicht
heeft u zich tot dusver niet gehouden.
Dat is des te erger omdat de omstreden redenen die de oorlog 'onontkoombaar'
maakten oneigenlijk bleken te zijn. We weten inmiddels dat ze zorgvuldig zijn
geconstrueerd en dat de initiatiefnemers tot de oorlog de wereld op tal van
manieren hebben misleid. We weten ook dat zij zich geen rekenschap wensten te
geven van de ongewenste gevolgen die de oorlog kon krijgen en niet de moeite
hebben genomen om een strategie uit te stippelen voor de fase daarna. Ze hebben
de spot gedreven met de meest elementaire universele waarden en normen. Hun
– en onze – oorlog is een roekeloos avontuur gebleken dat Irak in
chaos heeft gedompeld, al 650.000 Iraakse burgers het leven heeft gekost, een
groot conflict in het Midden-Oosten naderbij heeft gebracht, de wereld onveiliger
en onverdraagzamer heeft gemaakt en de internationale rechtsorde zwaar heeft
aangetast. Zijn er méér redenen te bedenken waarom in álle
betrokken landen politieke verantwoording dient te worden afgelegd?
Daar komt nog bij dat uw bewering dat de besluitvorming in Nederland met de
grootst mogelijke zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden aantoonbaar onjuist is.
In de bijlage bij onze brief van eergisteren tonen we onomstotelijk aan dat
uw regering op een aantal punten juist uiterst ónzorgvuldig heeft gehandeld.
Ook Nederlandse bewindslieden hebben meermalen informatie aangedikt met de kennelijke
bedoeling het parlement en de publieke opinie te misleiden. Bovendien is de
Tweede Kamer meermalen niet correct geïnformeerd en lijkt er in zeker één
geval door de regering opzichtig te zijn gelogen. Van meet af aan heeft u geweigerd
de vele noodzakelijke vragen hieromtrent afdoende te beantwoorden, en mede daardoor
zijn die in gewicht en aantal alleen maar toegenomen. Alleen al de schijn van
onzorgvuldigheid, misleiding en andere onvolkomenheden zou reden moeten zijn
volledige opening van zaken te geven.
Primair dient helderheid te worden geboden rond de leugenachtige bewering van
de regering dat zij voorafgaand aan de oorlog geen informatie heeft gehad waarin
het bestaan van massavernietigingswapens in Irak werd betwijfeld. Is die twijfel
soms niet breed in de media uitgemeten? Los daarvan blijkt uit de bijlage bij
onze brief van eergisteren onomstotelijk dat de regering door VN-wapeninspecteurs
expliciet en meermalen van die twijfel op de hoogte is gebracht. Sterker nog:
volgens de inspecteurs vormde Irak geen acute bedreiging voor zijn buurlanden,
laat staan voor de wereld. De beweringen van onder meer minister van Buitenlandse
Zaken Bot dat de regering hiervan geen weet had is niets anders dan een leugen.
En in het ondenkbare geval dat de regering de informatie over de twijfel aan
verboden wapens niet kende, is dat dan niet een onvoorstelbaar brevet van onvermogen?
Had zij er gezien haar verantwoordelijkheid niet hoe dan ook voor moeten zorgen
dát ze die kende?
Wezenlijk zijn ook de vragen rond de gegevens die de regering bij haar afweging
ten dienste stonden. Welke apert onjuiste informatie heeft de regering tot haar
besluit gebracht? Wat zegt het feit dat die informatie doorslaggevend is geweest
over het functioneren van onze inlichtingendiensten? Welke rol speelde de manipulatie
van gegevens door bondgenoten in dit proces? Antwoorden op deze vragen zijn
noodzakelijk om een herhaling van de geschiedenis te voorkomen en de burger
het elementaire vertrouwen te geven dat zijn regering verantwoord opereert.
Het zijn geenszins onze enige vragen op dit punt. Wat heeft u ertoe gebracht
in te stemmen met een volstrekt ondoordachte missie, die zelfs de meest elementaire
benodigde kennis van de Iraakse samenleving ontbeerde? Het is dit gebrek aan
kennis en voorbereiding dat Irak aan de rand van de afgrond heeft gebracht en
wereldwijd tot een toename van radicalisering en terreur heeft geleid. Gezien
uw zorgvuldige besluitvorming was u uiteraard op de hoogte van dit verschrikkelijke
manco. Gezien uw verantwoordelijkheid had u er in elk geval van op de hoogte
móeten zijn.
Schokkend vanuit Nederlands oogpunt is in dit verband ook het ontbreken van
een exit-strategie. Had Nederland niet na het drama-Srebrenica plechtig besloten
nooit meer met zulke halfslachtige missies in te stemmen? Wat heeft u ertoe
gebracht dat toch te doen?
Waarom heeft u zich, voor u uw finale afweging maakte, niet terdege op de hoogte
gesteld van alle elementaire aspecten van de riskante onderneming? Waarom zijn
wij medeverantwoordelijk geworden voor tal van onverteerbare uitwassen? Het
schenden van de mensenrechten door onze bondgenoten is daarvan een voorbeeld.
Maar ook de diefstal van de oude Iraakse voorraad yellowcake en van 400 ton
zware explosieven, gebruikt ter ontsteking van kernwapens, is schokkend; de
bewaking daarvan werd in de eerste fase van de oorlog door de IAEA aan Amerikaanse
soldaten overgedragen, maar die lieten ze onder hun neus verdwijnen, vermoedelijk
richting Iran. Was de oorlog niet juist begonnen om het gevaar dat zulke wapens
in handen van 'schurkenstaten' vormen te bezweren? Welke garanties hebt u in
de aanloop naar uw besluit eigenlijk bedongen om deze en andere uitwassen te
voorkomen?
In vrijwel alle landen die bij de oorlog waren betrokken zijn onderzoeken naar
de besluitvorming ingesteld, maar uitgerekend niet in het als open en democratisch
bekendstaande Nederland, dat nota bene de vestigingsplaats is van het Internationaal
Gerechtshof en het Internationaal Strafhof en een grote reputatie heeft als
beschermer van de internationale rechtsorde – een rechtsorde die door
de oorlog enorme schade heeft geleden. Waarom niet? Uw antwoord dat 'alles over
dit onderwerp al is gezegd', gegeven tijdens de recente Algemene Beschouwingen,
is even oneigenlijk als de redenen achter de oorlog. Wij bonken al jaren vergeefs
op uw deur met een waslijst vragen die om antwoord schreeuwen.
Waarom gaat u die vragen zo opzichtig uit de weg? Is het niet in ieders belang
dat glashelder wordt waarom het door u geformuleerde doel van de oorlog, juist
dóór die oorlog, verder weg is dan ooit? In uw officiële
verklaring op de dag dat de oorlog begon zei u toch dat 'Vrijheid en veiligheid,
ook voor de burgers van Irak zelf, het hoogste doel is'. Zijn in Irak sinds
het begin van de oorlog volgens conservatieve schattingen niet al meer dan twee
maal zoveel burgers gedood als in ruim twintig jaar Saddam-terreur? En liet
u, terugblikkend op de wankele rechtsgrond en oneigenlijke redenen waarop de
oorlog is aangegaan, de Eerste Kamer niet weten: 'Wij moeten vooral leren uit
wat is geschied. De regering wil ook lessen trekken uit het gebeurde.' Wat houdt
dat in als u iedere vorm van waarheidsvinding blokkeert?
U laat zich publiekelijk voorstaan op de transparantie van uw beleid en heeft
in het spoor van Pim Fortuyn een 'nieuwe, open politiek' bepleit, die burger
en politiek dichter bij elkaar moesten brengen. Hoe rijmt u deze zaken ins hemelsnaam
met uw jarenlange weigering om de vragen rond 'Irak' te beantwoorden? Uw Irak-beleid
heeft het karakter van een ordinaire doofpot. Het is een vorm van 'oude achterkamertjespolitiek'
zoals we die zelden hebben gezien. U maakt publieke belangen opzichtig ondergeschikt
aan persoonlijke en partijpolitieke belangen. U laadt bovendien de ernstige
verdenking op u dat u zaken te verbergen heeft, en dat doet het door uw Irak-beleid
toch al ernstig geschade vertrouwen in de politiek en de democratie geen goed.
Waar bent u zo bang voor als uw beleid zo zorgvuldig is geweest als u beweert?
Bevat uw doofpot soms een 'smoking gun'?
Hoe rijmt u uw consequente weigering om de vragen rond 'Irak' te beantwoorden
met uw bij herhaling verkondigde boodschap dat het u 'om de toekomst van Nederland'
gaat? Is die toekomst niet juist bij uitstek gediend met het functioneren van
de democratie en met het uitsluiten van het risico dat de geschiedenis rond
'Irak' zich herhaalt? Is die toekomst niet gediend met het voorkomen van de
toenemende verharding en versluiering die als direct gevolg van 'Irak' de debatten
rond terreurbestrijding, privacywetgeving, de islam en integratie & inburgering
vervuilen?
Hoe rijmt u uw consequente weigering om de vragen rond 'Irak' te beantwoorden
met uw niet-aflatende pleidooi voor 'fatsoen', 'respect' en 'normen en waarden'?
Is het niet hoog tijd dat u uw woorden in daden omzet en zelf het goede voorbeeld
geeft? Is de oorlog tegen Irak niet het onderwerp bij uitstek waarbij de meest
elementaire universele normen en waarden met voeten zijn getreden? Is uw weigering
om verantwoording af te leggen niet regelrecht in strijd met de meest elementaire
normen en waarden van de Nederlandse samenleving, die van de democratie? Is
het niet serieus nemen van ernstig verontruste burgers die tegen hun wil medeverantwoordelijk
zijn gemaakt voor een onbezonnen oorlog en de rampzalige gevolgen daarvan niet
juist uitgesproken respectloos en onfatsoenlijk?
Wij hebben keer op keer naar uw pleidooien geluisterd. Wanneer luistert u naar
ons? Wij eisen dat u, conform uw democratische plicht en onze democratische
rechten, onze vragen vóór 22 november a.s. publiekelijk beantwoordt.
Met dank voor uw aandacht,
Allard de Rooi en Hein van Meeteren
Initiatiefnemers 'Openheid over Irak'
9 november 2006
Aan de leden van de Nederlandse regering en de Staten-Generaal.
Het burgerplatform ‘Openheid over Irak’ eist dat de regering
verantwoording aflegt voor haar steun aan de oorlog tegen Irak
9 november 2006
Geachte heer/mevrouw,
Namens de Nederlandse burgers eisen wij dat de regering nog voor het eind van
haar regeerperiode publiekelijk verantwoording aflegt voor haar op 18 maart
2003 genomen besluit om de oorlog tegen Irak politiek te steunen. Al jaren schreeuwen
rond die besluitvorming tal van vragen om antwoord. Vragen rond vaagheden en
onzorgvuldigheden, maar ook rond mogelijke misleiding en leugens. Vragen die
het fundamentele functioneren van de democratie raken, maar die de regering
weigert te beantwoorden. Om zulke wezenlijke vragen te laten voortbestaan is
spotten met alles wat ons dierbaar is. En om oprecht verontruste burgers met
uitspraken als ‘In dit potje wordt niet meer geroerd’ het bos in
te sturen, getuigt van een angstaanjagende minachting voor hun betrokkenheid
bij de democratie en bij wezenlijke thema’s als oorlog & vrede.
Wij herinneren u in dit verband aan de pleidooien van de minister-president
voor transparant beleid en normen en waarden. Mocht de regering die woorden
serieus nemen, dan ligt hier uw opdracht. Want de besluitvorming rond ‘Irak’
en de reactie van de regering op de vele noodzakelijke vragen was het tegendeel
van transparant. En het niet serieus nemen van burgers die tegen hun wil medeverantwoordelijk
zijn gemaakt voor een onbezonnen oorlog en de rampzalige gevolgen daarvan is
het tegendeel van fatsoenlijk.
Het is een wezenskenmerk van de democratie dat bewindslieden verantwoording
afleggen voor hun handelen. Het is een grondrecht van de burger om te worden
geïnformeerd over besluiten rond zwaarwegende zaken als oorlog & vrede,
terrorisme en het links laten liggen van de VN. Alleen zó kan de burger
beoordelen of de bewindslieden die voor en namens hem werken capabel zijn, of
het beleid bij hen wel in goede handen is en of ingrijpende toekomstige besluiten
hen wel zijn toevertrouwd.
Hieronder geven wij een serie gedetailleerde voorbeelden van de punten die ons
rond ‘Irak’ al veel te lang verontrusten, en die ons zullen blijven
verontrusten zolang antwoorden uitblijven. Het is een willekeurige selectie
en u zult direct herkennen dat achter de meeste nog veel meer vragen schuilgaan,
mede dankzij ontwijkende en mystificerende reacties op eerdere vragen. Maar
hoeveel vragen ook, wij zullen in het potje blijven roeren. Wij achten het onze
democratische en morele plicht de waarheid rond ‘Irak’ boven tafel
te krijgen.
Wij eisen opening van zaken, nog vóór de verkiezingen van 22 november.
Wij roepen de premier op hierbij het voortouw te nemen, en alle fracties zich
achter onze eis te scharen, zoals dat hun democratische plicht betaamt. En wij
roepen de media op om dit onderwerp op de agenda te houden totdat er duidelijke
antwoorden zijn gegeven.
Met dank voor uw aandacht,
Allard de Rooi en Hein van Meeteren
Initiatiefnemers ‘Openheid over Irak’
Bijlage: voorbeelden
• Het kabinet voerde als ‘kernreden’ voor zijn besluit aan
dat Irak onvoldoende meewerkte aan de wapeninspecties, waarover de Veiligheidsraad
in twaalf jaar tijd zeventien resoluties had aangenomen. Een land als Israël
heeft echter aanzienlijk meer resoluties genegeerd zonder dat dat tot ingrijpen
heeft geleid. Wat rechtvaardigt volgens het kabinet dit meten met twee maten?
• Volgens de Amerikaanse en Britse initiatiefnemers tot de oorlog draaide
die primair om de acute dreiging die uitging van Iraks massavernietigingswapens.
Het Nederlandse kabinet benadrukte echter dat niet ‘het bewijs van de
aanwezigheid van massavernietigingswapens’, maar de onwil van Irak om
gehoor te geven aan de VN-resoluties de ‘kernreden’ was om de oorlog
te steunen. Maar meerdere bewindslieden en politici van de coalitiepartijen
wekten in de aanloop naar de oorlog tegelijkertijd de stellige indruk dat de
wapenkwestie juist wél de kern van het kabinetsstandpunt vormde. Enkele
uitspraken:
- Premier Balkenende: ‘De essentie is de ontwapening van een agressor
die massavernietigingswapens in zijn bezit heeft.’
- Minister Kamp (Defensie): ‘Als die [de wapens] daar verdwijnen, hoeft
er niets te gebeuren. Er wordt dan niets aangevallen. De vlag kan dan in top.’
- Minister De Hoop Scheffer (Buitenlandse Zaken): ‘De legitimatie voor
optreden van de internationale gemeenschap ligt voor mij nagelvast in de kwestie
van de massavernietigingswapens.’
- CDA-Kamerlid Eurlings: ‘Saddam Hussein beschikt over biologische, chemische
en wie weet zelfs nucleaire wapens.’
Deze uitspraken verschillen niet van de taal die president Bush en premier Blair
gebruikten. Bovendien draaide ook de ‘kernreden’ van het kabinet
in feite om wapens: de wapeninspecteurs controleerden immers of Irak zijn massavernietigingswapens
had vernietigd, zoals het land door de VN was opgedragen. Waarom maakte het
kabinet een geforceerd onderscheid tussen de ‘wapenkwestie’ en een
‘kernreden’ dat de discussie rond zijn besluit onnodig vertroebelde?
Waarom probeerde het de indruk te wekken dat het besluit niet draaide om de
grote bedreiging die Irak voor de buitenwereld zou vormen? Waarom sprak het
op dit essentiële punt geen klare taal?
• Het kabinet heeft nadrukkelijk beweerd dat het voorafgaand aan de oorlog
niet heeft beschikt over informatie waarin het bestaan van massavernietigingswapens
in Irak werd betwijfeld. In de uitzending van het tv-programma Zembla van 15
april 2004 verklaarden wapeninspecteurs echter dat zij de Nederlandse regering
op de hoogte hadden gesteld van hun conclusie dat de aanwezigheid van massavernietigingswapens
in het land uitermate onwaarschijnlijk was en dat van Irak geen directe dreiging
uitging. Deze informatie werd door de inspecteurs persoonlijk doorgegeven tijdens
briefings ten kantore van de BVD (AIVD) in Den Haag, en door middel van verslagen
van de Nederlandse VN-vertegenwoordiging in New York aan minister van Buitenlandse
Zaken De Hoop Scheffer. Ook zou een BVD-agent deel hebben uitgemaakt van de
inspectieteams. In de uitzending wordt verder gesteld dat het kabinet zelf geen
enkele poging heeft ondernomen om de Nederlandse wapeninspecteurs voorafgaand
aan haar besluit te raadplegen.
Deze informatie doet ernstig afbreuk aan de zorgvuldigheid die het kabinet bij
het nemen van haar besluit zegt te hebben betracht. Is de informatie uit Zembla
correct, dan moet zelfs worden geconcludeerd dat het kabinet heeft gelogen.
Op dit punt is ook de bewering van de regering in het geding dat zij ‘alle
belangrijke en relevante informatie’ met betrekking tot haar besluit heeft
doorgegeven aan de Tweede Kamer. De informatie van de wapeninspecteurs is niet
aan de Kamer doorgegeven.
Overigens heeft ook Hans Blix, chef van de wapeninspecteurs die vanaf eind 2002
in Irak actief waren, geen enkele aanwijzing gevonden voor de aanwezigheid van
massavernietigingswapens. Weliswaar had hij bij het begin van de oorlog zijn
inspecties nog niet afgerond (hij had nog een paar maanden nodig), maar ook
zijn informatie bood volop reden voor twijfel aan het bestaan van verboden wapens
in Irak. Dat kan het kabinet moeilijk zijn ontgaan.
• Het kabinet heeft steeds benadrukt dat zijn besluit berustte op een ‘eigenstandige,
volstrekt souvereine afweging’. Daarbij werd gebruik gemaakt van diverse
bronnen, waaronder analyses van de inlichtingendiensten AIVD en met name MIVD,
die waren gebaseerd op eigen informatie en informatie van Britse en Amerikaanse
inlichtingendiensten en de wapeninspecteurs. Ook werd gebruik gemaakt van externe
bronnen, maar de daarvan afkomstige informatie werd altijd zorgvuldig getoetst
door de inlichtingendiensten, aldus het kabinet, dat daarmee eens te meer de
suggestie verwierp dat het zich verliet op propagandistische Britse of Amerikaanse
informatie.
In de praktijk rijst er op veel punten twijfel aan dit procédé.
Volgens de MIVD stond het in 2002 bijvoorbeeld allerminst vast dat Irak een
acute dreiging voor de buitenwereld vormde. Weliswaar wilde de dienst niet uitsluiten
dat het land nog over chemische wapens beschikte die het ‘mogelijk’
had verstopt, maar om bijvoorbeeld een ballistische raket met een bereik van
duizend kilometer of meer te ontwikkelen (die NAVO-grondgebied zou kunnen bereiken)
had het ‘omvangrijke buitenlandse hulp’ nodig.
Als de inlichtingendiensten inderdaad zo’n prominente rol vervulden, hoe
valt dan te verklaren dat deze MIVD-analyse zo slecht aansluit bij de bovengenoemde
uitspraken van premier Balkenende c.s. en met het kabinetsbesluit om de oorlog
te steunen? Deugde de analyse van de MIVD in de ogen van het kabinet misschien
niet? Wat zegt dat in dat geval over de betrouwbaarheid van de informatie van
deze en andere inlichtingendiensten? En op welke bronnen waren de uitspraken
van premier Balkenende c.s. gebaseerd?
• Er is vaker sprake van discrepantie tussen informatie van de inlichtingendiensten
en uitspraken van het kabinet. Zo schreef minister De Hoop Scheffer in een brief
van 4 september 2002: ‘Er bestaat naar mijn mening geen twijfel dat Irak
na het vertrek van de VN wapeninspecteurs (UNSCOM) [...] is doorgegaan met ontwikkeling
van met name biologische en chemische wapens. De dreiging die daarvan uitgaat
is reëel en wordt, naarmate de tijd verstrijkt, steeds ernstiger.’
De brief blijkt gebaseerd op informatie van de MIVD, maar volgens deze dienst
ging de minister in zijn schrijven te ver: ‘De MIVD heeft steeds gesteld
dat Irak over de mogelijkheid beschikte om de productie op korte termijn te
hervatten en dat moest worden aangenomen dat Irak sinds het vertrek van de wapeninspecteurs
een grotere vrijheid van handelen heeft gekregen, maar er is niet in concrete
bewoordingen gesteld dat Irak de productie van chemische en biologische middelen
na het vertrek van UNSCOM in 1998 zou hebben hervat.’
Ook hier is het kabinet, i.c. de minister, onzorgvuldig geweest in zijn informatieverstrekking.
Of was zijn informatie misschien gebaseerd op andere bronnen dan de MIVD? Welke
waren dat dan en hoe valt te verklaren dat ze fundamenteel verschilden van de
MIVD-informatie?
• In de brief van het kabinet op grond waarvan de Tweede Kamer op 18 maart
2003 over het verlenen van steun aan de oorlog debatteerde, staat te lezen:
‘Alles wijst erop dat Irak nog steeds de intentie heeft zijn massavernietigingswapens-capaciteit
te behouden, en bovendien die op een geschikt moment verder uit te bouwen.’
De MIVD stelt later dat deze vaststelling alleen klopt ‘als er onder capaciteit
ook het begrip kennis en kunde wordt verstaan’.
Ook hier is het kabinet onzorgvuldig geweest in zijn informatieverstrekking,
tenzij zijn informatie was gebaseerd op andere bronnen dan de MIVD.
• In februari 2003 gaf de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Powell
in de Veiligheidsraad een omstreden Powerpoint-presentatie, die een belangrijke
rol speelde in de aanloop naar de oorlog. Powells beelden en geluidsfragmenten
zouden aantonen dat Irak verboden wapens verborgen hield en over mobiele laboratoria
voor biologische wapens beschikte.
‘Bewijsmateriaal’, oordeelde premier Balkenende. ‘Overtuigend’,
zei minister De Hoop Scheffer: ‘Veel van wat door Powell naar buiten wordt
gebracht is reeds langer in inlichtingenkringen bekend en is in lijn met hetgeen
uit Nederlandse inlichtingenbronnen is gebleken.’
De gealarmeerde VN-wapeninspecteurs in Irak konden echter geen spoor vinden
van de door Powell getoonde faciliteiten, en later zou Powell zelf de bronnen
achter zijn presentatie ‘onnauwkeurig en verkeerd, en in sommige gevallen
willens en wetens misleidend’ noemen.
Die ontboezeming en de informatie van de inspecteurs werpen een verwarrend licht
op de uitspraak van De Hoop Scheffer, op de Nederlandse informatievoorziening
en op de zorgvuldigheid die het kabinet bij zijn besluit zegt te hebben betracht.
Zaten de ‘Nederlandse inlichtingenbronnen’ er ook naast? Hadden
ze misschien gebruik gemaakt van dezelfde onbetrouwbare bronnen als Powell?
Wat zegt dat dan over de betrouwbaarheid van de ‘Nederlandse inlichtingenbronnen’?
Of ging De Hoop Scheffer veel te ver in zijn uitspraak? Een interessante vraag
is natuurlijk ook of het kabinet de informatie van Powell toch als ‘bewijsmateriaal’
heeft gebruikt bij haar ‘eigenstandige afweging’.
• Meermalen is in de media sprake geweest van ‘geheime documenten’
die in de besluitvorming van het kabinet een ‘overtuigende’ rol
zouden hebben gespeeld. Nu is informatie van de inlichtingendiensten gewoonlijk
geheim, en details rond informatie van deze bronnen heeft de regering niet aan
de Kamer willen verstrekken omdat, meldde zij, daarmee het werk van de diensten
bemoeilijkt zou kunnen worden; de Kamer moest erop vertrouwen dat ‘alle
belangrijke en relevante informatie’ was doorgegeven.
Maar gezien de eerdergenoemde discrepantie tussen de motivering van het kabinetsbesluit
enerzijds en de informatie van de MIVD en de wapeninspecteurs anderzijds, én
gezien het feit dat Irak zijn verboden wapens in de jaren na 1991 bleek te hebben
ontmanteld, spreekt het vanzelf dat vanuit de Kamer naar inzage in die bronnen
is gevraagd. Tot dusver echter zonder succes en daarmee houdt de besluitvorming
een schimmig karakter.
Bekend is wél dat premier Balkenende in september 2002 op voorwaarde
van geheimhouding inzage kreeg in Britse documenten. Balkenende bracht niemand
op de hoogte van zijn avontuur, ook het parlement en zijn ministers niet. Pas
een klein jaar later informeerde minister De Hoop Scheffer naar de documenten
naar aanleiding van een berichtje in de Financial Times. Balkenende liet weten
dat de documenten ‘niet doorslaggevend’ waren geweest bij het bepalen
van het kabinetsbesluit. Een belangrijke vraag is nog altijd welke documenten
dan wel doorslaggevend zijn geweest.
De Britse documenten vormden, zo werd later bekend, de basis voor een op 25
september 2002 gepubliceerd rapport waaruit zou blijken dat Irak binnen drie
kwartier chemische wapens zou kunnen activeren waarmee het NAVO-grondgebied
zou kunnen bereiken. In Groot-Brittannië ontstond daarover grote ophef;
gevreesd werd dat dit ‘feit’ was aangedikt om de publieke opinie
te beïnvloeden.
Dat lijkt inderdaad het geval te zijn geweest, want het gegeven werd door de
MIVD krachtig genuanceerd: ‘Het “nieuwe” feit dat sommige
chemische en biologische wapens binnen 45 minuten inzetbaar zouden zijn [is]
slechts een verwijzing naar bestaande Iraakse slagveldwapens zoals chemische
artilleriegranaten met beperkt bereik en gelimiteerde militaire toepasbaarheid.’
Minister De Hoop Scheffer trok in de Tweede Kamer echter een heel andere conclusie:
‘De analyse in dit rapport van het streven van het Iraakse regime om in
strijd met de VN-resoluties de capaciteit te verwerven m.b.t. massavernietigingswapens,
alsmede de dreiging die daarvan uitgaat in het licht van de aard van het bewind
in Bagdad, stemt overeen met het beeld dat de Nederlandse regering daarvan heeft.’
Opnieuw is sprake van een onverklaarbare discrepantie tussen de MIVD-informatie
en ‘het beeld van de Nederlandse regering’ en de informatieverstrekking
door het kabinet. Dikte De Hoop Scheffer de informatie aan? Ging hij af op het
Britse rapport in plaats van op de MIVD-analyse? Of beschikte hij over bronnen
die zijn bewering staafden? Welke bronnen waren dat dan en hoe valt te verklaren
dat hun beeld zo sterk afweek van dat van de MIVD?
• In het Kamerdebat over het kabinetsbesluit van 18 maart 2003, aan de
vooravond van de oorlog, kwam ook de juridische grondslag voor dat besluit ter
sprake. Een zeer omstreden onderwerp, aangezien de oorlog niet werd gelegitimeerd
door een VN-mandaat en drie permanente leden van de Veiligheidsraad een oorlog
zonder zo’n mandaat scherp veroordeelden. Secretaris-generaal Kofi Annan
van de VN sprak zich eveneens in niet mis te verstane bewoordingen uit: ‘Er
bestaat geen substituut voor de unieke legitimiteit die de Veiligheidsraad van
de VN kan verschaffen.’ Ook een legertje volkenrechtdeskundigen in binnen-
en buitenland liet weten de oorlog als een schending van de internationale rechtsorde
te beschouwen.
Al in september 2002 had Bert Koenders (PvdA) minister De Hoop Scheffer verzocht
de Commissie Advies Volkenrechtelijke Vraagstukken om advies te vragen inzake
een mogelijke militaire actie tegen Irak. De minister antwoordde dat zo’n
advies ‘niet noodzakelijk’ was en in het Kamerdebat van 18 maart
2003 liet premier Balkenende weten dat er ‘aan de rechtsgrond is voldaan
volgens internationaal recht’. Het kabinet beriep zich op VN-resolutie
1441 van 8 november 2002 – waarin Irak in één zinnetje wordt
gewaarschuwd dat onvoldoende medewerking met de VN ‘ernstige gevolgen’
zal hebben – in combinatie met twaalf jaar oude resoluties, opgesteld
ten tijde van Iraks bezetting van Koeweit.
Balkenendes standpunt vond pikant genoeg geen genade bij de directies Juridische
Zaken van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie. Die stelden kort
daarvoor in vertrouwelijke notities dat Balkenendes ‘sluitende juridische
redenering’ geen mogelijkheid bood tot het gebruik van geweld tegen Irak.
Een onderbelichte vraag in dit verband is of het bewuste zinnetje in resolutie
1441 ooit bedoeld is geweest om een oorlog te legitimeren. Was het niet juist
bedoeld om een oorlog te voorkomen door het begrip ‘ernstige gevolgen’
niet nader te specificeren? Zouden de permanente leden van de Veiligheidsraad
die een oorlog zonder een nieuwe resolutie afwezen enkele maanden eerder resolutie
1441 hebben gesteund als de woorden ‘ernstige gevolgen’ een oorlog
tegen Irak mogelijk maakten?
