3 januari 2010
De burgerbeweging Openheid over Irak houdt zich sinds het najaar van 2002 bezig met de kwestie-Irak. Zeven jaar en drie websites verder heeft de beweging een belangrijke rol gespeeld in de totstandkoming van de commissie-Davids, en aangetoond dat het voor burgers zin heeft om zich actief in te zetten voor hun democratische rechten.
Waarom openheid?
We hebben het jaren moeten uitleggen, maar gelukkig heeft premier Balkenende
ons die zware taak uit handen genomen. Hij vond het Irak-dossier een janboel
van argumenten, vragen en antwoorden, waar geen touw meer aan vast te knopen
was. Met die ruwe samenvatting kunnen wij leven, en de commissie-Davids staat
inmiddels op het punt om Balkenendes probleem tot achter de komma op te lossen.
Hieronder volstaan wij met een beknopte beschrijving van de terreinen die
Davids en zijn mensen zullen betreden.
Wat is het belang voor de burger?
Kern van de kwestie is de basale werking van onze democratie – het recht
van de bevolking op het afleggen van verantwoording door de regering, het wegnemen
van elke onduidelijkheid en het beantwoorden van elke vraag. Die claim telt
dubbel als het om betrokkenheid bij een oorlog gaat. Deze notie vormt de kern
van een democratische samenleving, zeker als die zich ten voorbeeld stelt aan
andere volken. In dit opzicht is de kwestie-Irak een democratische ramp, met
name omdat de volksvertegenwoordiging niet alleen heeft gefaald in zijn primaire
taak – het controleren van de regering –, maar zelfs vier kabinetten
lang zelf heeft voorkomen dat dit kon gebeuren.
Wat is in een democratie groter dan het belang van de burger?
Zelfs al gaat het om kwesties van oorlog en vrede of leven en dood, in Den
Haag regeert de partijpolitiek met bijbehorende kadaverdiscipline. Hoe machtig
die is bleek bij de verkiezingen in november 2006, toen door de politiek
voorkomen werd dat de burger zich over de kwestie-Irak kon uitspreken. En
zo kan het gebeuren dat wij al bijna zeven jaar wachten op beantwoording
van de meest elementaire vragen, en dat ‘Irak’ in dit opzicht
zelfs het nie wieder-record van het Srebrenica-rapport is gepasseerd.
Dat alles ondanks het feit dat de bevolking vanaf het begin zeldzaam eensgezind
en uitgesproken was.
Nederland was massaal tegen de Irak-oorlog
Op 18 maart 2003 besloot het demissionaire kabinet-Balkenende I steun te verlenen
aan de oorlog tegen Irak. Het was een ingrijpend en felomstreden besluit,
al helemaal voor een demissionair kabinet. De oorlog miste een overtuigende
inhoudelijke en juridische grondslag en bracht onoverzichtelijke risico’s
met zich mee. Van de Nederlanders was 89 procent er daarom tegen. Toch werd
Irak met Nederlandse steun aangevallen
Legitimering en relatie met de VN
Die steun werd legitiem geacht op grond
van de acute dreiging die zou uitgaan van Iraks massavernietigingswapens (MVW’s) in combinatie met Saddams
weigering om hierover duidelijkheid te verschaffen. Aldus het kabinet-Balkenende,
dat hiervoor een uiterst discutabele volkenrechtelijke constructie presenteerde,
die nota bene door vrijwel alle Nederlandse volkenrechtdeskundigen én
door de Verenigde Naties zelf van de hand werd gewezen. In januari 2009 bleek
uit onderzoek van NRC Handelsblad dat de juristen op het ministerie
van Buitenlandse Zaken hun minister zelfs hadden gewaarschuwd voor sancties
tegen Nederland. Ondanks al die waarschuwingen volhardde het kabinet in zijn
felomstreden argumentatie, en het is hierover dat de commissie-Davids zich
in zowel volkenrechtelijk-juridische zin als in procedureel opzicht zal moeten
uitspreken. De steun aan de Irak-oorlog was een ingrijpend besluit voor een
land dat de zorg voor het internationale recht in zijn grondwet heeft verankerd,
en betekende een radicale breuk met het Nederlandse imago van loyaal pleitbezorger
voor de Verenigde Naties.
Mensenrechten
De vrije interpretatie van het internationale recht kreeg extra betekenis toen
uitgerekend Nederlands belangrijkste bondgenoot zich te buiten ging aan door
de overheid goegekeurde mensenrechtenschendingen van de ergste soort: geheime
gevangenissen, kidnapping, rendition, marteling, en een netwerk van geheime
vliegverbindingen dat al die componenten bijeen bracht. Hoewel de Geneefse
Conventies voorschrijven dat elke vorm van steun aan dergelijk wangedrag
gestaakt dient te worden, bleef Nederland trouw aan de coalitie en de VS.
Massavernietigingswapens
Inmiddels weten we dat de redenen die de oorlog ‘onontkoombaar’ maakten oneigenlijk waren: de initiatiefnemers tot de oorlog wisten dat de kans dat er in
Irak massavernietigingswapens gevonden zouden worden nihil was, en ook onze
regering was van vele kanten gewaarschuwd. Toch werden Saddams wapens door
het kabinet massaal tegen ons ingezet, en speelden ze een cruciale rol in de
besluitvorming die leidde tot ‘politieke steun’. Immers, zonder
wapens bestaat er geen dreiging, kan er geen resolutie ge(re)activeerd worden,
en bestaat er geen urgentie. Het feit dat het kabinet steeds meer afstand is
gaan nemen van de MVW’s ter verantwoording van de verleende steun maakt
de vraag waarom – en op wiens instigatie – wij er dan zo intensief
mee zijn bekogeld extra relevant. En wat blijft er nog over van de volkenrechtelijke
onderbouwing als het met de dreiging van Irak kennelijk wel mee viel?
Feitelijke reden
Buitenlandse onderzoeken hebben daarnaast aangetoond dat de redenen om de oorlog
te voeren er in feite niet toe deden: de strijd was sowieso losgebarsten,
met regime change als doel. De dreiging van Iraks MVW’s
was letterlijk voor de Bühne – slechts bestemd om de
wereld achter de inval te krijgen. Maar ook om andere redenen dan de genoemde
zou de oorlog gevoerd zijn, zo bevestigde Tony Blair in december 2009 nog
tegenover de BBC. Dan zou hij wel andere argumenten hebben gepresenteerd
om de goedkeuring van het Lagerhuis te krijgen. Er is de wereld dus letterlijk
een oorlog ‘verkocht’, en dat is precies het gevoel dat negen
van de tien Nederlanders in januari 2003 ook al hadden toen zij zich er gedecideerd
tegen uitspraken.
Onvoorbereid en daardoor rampzalig
We weten inmiddels ook dat onze steun heeft bijgedragen aan een amper voorbereide
en daardoor rampzalig uitpakkende bezetting. Irak zelf is door de oorlog
volledig ontwricht en voor een deel bedekt met een laag verarmd uranium.
Het land krabbelt na zeven jaar geweld een onzekere toekomst tegemoet. Het
aantal burgerdoden loopt in de honderdduizenden, het aantal gevluchte
en ontheemde Irakezen bedraagt vijf miljoen, en het land is verre van
het beoogde baken van democratie. Werelwijd heeft de oorlog de terreurdreiging
versterkt in plaats van verminderd, en zijn zowel de internationale
rechtsorde als de Westerse moraliteit en betrouwbaarheid zwaar beschadigd.
Het is een cruciale vraag voor de commissie-Davids hoe het heeft kunnen gebeuren
dat Nederland zich bij zo’n buitenproportioneel en riskant avontuur
niet heeft vergewist van de allerminste vorm van haalbaarheid en planning.
De lessen van Srebrenica
Ook op het punt van die voorbereiding zag onze regering dus kennelijk reden
alle waarschuwingen te negeren. Tot die waarschuwingen behoorden de duurbetaalde
lessen van Srebrenica. Op 27 januari 2003 verscheen het rapport van de parlementaire
enquêtecommissie-Bakker, die klemmende aanbevelingen deed met betrekking
tot de toekomstige betrokkenheid bij conflicten. Maar slechts zeven weken
later negeerden zowel het kabinet-Balkenende I als de Tweede Kamer deze
finaal met hun besluit tot steun aan een nog veel roekelozer project: de oorlog
tegen Irak.
Militaire steun
Een aparte component in het onderzoek van de commissie-Davids betreft de militaire
steun die Nederland heeft verleend ten bate van Iraqi Freedom, terwijl
het parlement slechts ‘politieke steun’ gesanctioneerd had.
De vraag óf Nederland militaire steun heeft verleend is niet aan de
orde – over dat feit zijn vriend en vijand het eens. Maar hoewel sprake
was van grootschalige inzet van militaire middelen, openlijk opererend in
het kader van de (naderende) Irak-oorlog, wijst de regering op een reeks
aan fancy namen waarachter allerhande samenwerkingsverbanden schuil
gaan – veelal onder de vlag van de NAVO, of bilateraal met de VS. De
redenering is dat militaire steun aan de oorlog tegen Irak wél kon
worden verleend als die pakweg het predikaat Operation Enduring Freedom (OEF)
droeg. Dit ondanks het feit dat OEF de War on Terror tot doel had,
waarin Iraqi Freedomeen belangrijk front vormde. Los van deze door Wörtspielerei gecoverde
missies is verder een aantal (veelal commando)-operaties aan het licht gekomen,
die volgens het kabinet niet hebben bestaan.
De inlichtingendiensten AIVD en MIVD
Ook die vormen een belangrijk aandachtsveld voor ‘Davids’. Niet
alleen omdat wij ons veilig moeten kunnen voelen, maar ook omdat de inlichtingendiensten
in andere landen de zwarte piet in handen gedrukt hebben gekregen voor het ‘op
het verkeerde been zetten’ van hun regeringen omtrent Iraks dreiging.
Inmiddels is die term ook in Nederland gevallen. Op basis van publicaties lijken
beide diensten de alarmerende berichten over MVW’s vanuit de VS en het
Verenigd Koninkrijk echter genuanceerd te hebben, waarbij aangetekend dat de
AIVD een beperkte rol gespeeld heeft.
Genegeerde informatie
Het lijkt er echter op dat die nuancerende informatie van de diensten door
het kabinet-Balkenende terzijde is geschoven. Sterker, het kabinet deed destijds
voorkomen dat de Nederlandse diensten de Amerikaans-Britse dreigingsanalyses
onderschreven. De commissie-Davids moet hierover uitsluitsel bieden, temeer
daar dit voorbeeld van genegeerde informatie niet op zichzelf staat. Zo werden
ambtelijke adviezen genegeerd en rapporten ‘opgeborgen voor het nageslacht’.
Daaronder bijvoorbeeld de adviezen van de juristen van Buitenlandse Zaken,
die hun minister waarschuwden dat de toegepaste resolutie-constructie niet
legitiem was, en zou kunnen leiden tot een gang naar het Strafhof.
Wist de Tweede Kamer dit?
Nee, de Tweede Kamer heeft ten tijde van de besluitvorming niet geweten van
het bestaan van nuancerende informatie – laat staan van harde waarschuwingen.
De vraag is zelfs gerechtvaardigd of de Tweede Kamer de steun aan de oorlog
had gefiatteerd indien de parlementariërs van die feiten hadden geweten.
Die kans lijkt zeer gering, en juist dát verklaard waarom ook onze
regering zich uitbundig heeft bediend van cherry picking: alleen
argumenten die steun aan onze bondgenoten onderbouwden waren welkom. Inmiddels
weten we dat niet alleen de Tweede Kamer selectief bediend werd, maar dat
zelfs de officiële overheidscommunicatie door de ‘strategiegroep-Irak’ in
het teken stond van de gewenste steunverlening. Niet voor niets is de informatievoorziening
een specifiek terrein van onderzoek voor de commissie-Davids.
