Kwestie-Irak breekt inktzwart record van Srebrenica-onderzoek
Openheid over Irak, Commentaar, 16-12-2009
Iets te vieren?
Het is iedereen ontgaan, maar vandaag wachten we op de kop af even lang
op de waarheid over de kwestie-Irak als destijds op de uitkomsten van
het definitieve Srebrenica-onderzoek door het NIOD: 2465 dagen. In stilte
is een inktzwart record verbroken. Als op 12 januari 2010 het rapport
van de commissie-Davids verschijnt hebben we daar 2492 dagen op moeten
wachten, oftewel zes jaar en tien maanden. Zet dat eens af tegen het
feit dat de VN-wapeninspecteurs door onze regering in maart 2003 geen
twee tot drie maanden gegund werd om hun werk in Irak af te ronden.
Wat is het belang van ‘Srebrenica’ voor de kwestie-Irak?
De Nederlandse steun aan de Irak-oorlog is onder andere omstreden omdat
Nederland zichzelf vlak daarvoor ter afsluiting van het drama-Srebrenica
uitgebreid rekenschap had gegeven van de spelregels die in acht genomen
dienen te worden wanneer ons land zich opnieuw met een internationaal
conflict zou inlaten. Het Srebrenica-rapport verscheen op 10 april 2002.
Ter aanvulling van met name het ‘lessons learned’-element
wijdde de Tweede Kamer aansluitend nog een parlementaire enquête
aan de val van de enclave in 1995. De commissie-Bakker rapporteerde hierover
op 27 januari 2003, en stelde niet mis te verstane eisen aan toekomstige
betrokkenheid bij conflicten. Maar slechts zeven weken later negeerden
zowel het kabinet-Balkenende I als de Tweede Kamer de duurbetaalde lessen
van Srebrenica met hun besluit tot steun aan een nog veel roekelozer
project: de oorlog tegen Irak.
Hebben onderzoeken dan nog wel enige zin?
Onderzoeken en rapporten suggereren dat we op z’n minst geleerd hebben
van de pijnlijke lessen in bijvoorbeeld Nederlands-Indië en Srebrenica,
die ons land een nationaal trauma opleverden. Terughoudendheid, garanties,
een exit-strategy, solide VN-dekking, ..., het zijn willekeurige voorbeelden
van de ‘klemmende aanbevelingen’ die de Tweede Kamer zichzelf
en het kabinet deed naar aanleiding van ‘Srebrenica’. Maar
de inkt ervan was nog niet opgedroogd toen diezelfde Kamer akkoord ging
met een nog veel riskanter en planlozer avontuur van aanzienlijk onoverzichtelijker
proporties. In dit belangrijke opzicht heeft het Srebrenica-onderzoek geen
enkele zin gehad.
Lessen?
Wat we onder ogen moeten zien is dat officiële onderzoeken worden
ervaren als een – kennelijk voor iedereen acceptabel – eindstation
van een kwestie, waar zo min mogelijk consequenties aan moeten zijn verbonden,
en waarop niet meer wordt teruggekeken. ‘Een papieren baksteen op
de doofpot van het nationale geweten’, noemde columnist Bas Heijne
het sussende vermogen van dikke rapporten. Iedereen denkt dat er iets is
opgelost, maar er heeft slechts een rituele zuivering plaatsgevonden.
Wat we tevens onder ogen moeten zien is dat de volwassen plek die Nederland
opeist op het internationale toneel schril afsteekt bij de puberale wijze
van zelfreflectie. Zolang belangrijke lessen genegeerd worden zou deze
notie een gewichtige rol moeten spelen bij besluiten over Nederlandse missies
of steun aan een oorlog.
Kun je de onderzoeken naar ‘Irak’ en ‘Srebrenica’ vergelijken?
Inhoudelijk hooguit in algemene termen, maar qua vorm in een aantal aspecten
wel degelijk. Beide onderzoeken hebben gemeen dat ze ‘onafhankelijk’ waren – gehouden
buiten het parlement om –, dat er niet onder ede gehoord kon worden,
en dat de hearings niet openbaar waren. Plus dus het opmerkelijke feit
dat beide onderzoeken vrijwel exact even lang op zich lieten wachten.
Stel dat de gelijkenis met ‘Srebrenica’ aanhoudt,
wat gebeurt er dan?
Als we het onderzoek naar ‘Irak’ vergelijken met dat naar ‘Srebrenica’ wordt
met de Irak-rapportage van Davids het punt bereikt waarop het NIOD op 10
april 2002 het definitieve Srebrenica-rapport afleverde. Het NIOD-rapport
leidde zes dagen na publicatie tot de val van het kabinet-Kok II, nadat twee
ministers meenden dat hun aftreden onvermijdelijk was geworden. Het besluit
tot een aanvullende parlementaire enquête viel slechts 15 dagen na
publicatie. Negen maanden daarna, eind januari 2003, rapporteerde de enquêtecommissie-Bakker.
Als de analogie tussen beide onderzoeken aanhoudt zijn eind oktober 2010
de resultaten te verwachten van de parlementaire enquête over ‘Irak’,
waartoe de Tweede Kamer in reactie op het rapport-Davids besluit.
|